Nu de dunne boekjes van De Clauwaert v.z.w. in mijn
bibliotheek allemaal gelezen zijn (of ik moest er ergens een gemist
hebben) en voor het overgrote deel naar de zolder afgevoerd werden,
iets waarvan mensen die mijn boekbesprekingen volgen doorheen de
voorbije jaren van op afstand getuige geweest zijn, is het tijd
geworden om op reis (want bij die gelegenheden lees ik die) andere
dunne boekjes mee te nemen. Daarvan heb ik er namelijk ook nog wel,
al zitten die dan voor de meerderheid in de non-fictie delen van mijn
bibliotheek. Zo niet voorliggend Tomate crevettes van Erik
Vlaminck. Dat zat wel degelijk in mijn kasten met fictie en verscheen
in 1999 bij Wereldbibliotheek.
Wereldbibliotheek zijnde een uitgeverij waarbij ooit werk van
onder andere Louis Couperus, Sigmund Freud, Johann Wolfgang von
Goethe, Multatuli, Arthur Schopenhauer, Charles Dickens, en
dergelijke auteurs meer is verschenen, dixit Wikipedia “een
van de oudste uitgeverijen in Nederland (opgericht door Leo Simons in
1905)”, maar in 2014 overgenomen door Nieuw Amsterdam, in
2020 samen met uitgeverij Podium
omgedoopt tot Park Uitgevers, en vervolgens als dusdanig deel
geworden van de Lannoo Uitgevers Groep waarin onder andere ook
Meulenhoff Boekerij en Unieboek/Het Spectrum opgenomen
zijn. Wereldbibliotheek dat – zo vermeldt de uitleg vooraan
in dit achtenveertig bladzijden dikke boekje – “een traditie
[kent] van premie-uitgaven”, een “traditie” die in 1998
resulteerde in “de eenmalige uitgave van Alberto Moravia’s De
villa van de vrijdag als geschenk voor bezoekers van Het
andere boek” en in het jaar daarop in Tomate crevettes,
een “traditie” die daarmee al vrij stevig uitgehold was aangezien
de premie-uitgaven er oorspronkelijk waren voor de leden van de in
1925 ter ondersteuning van de uitgeverij opgerichte
Wereldbibliotheek-Vereniging, mensen die uit dankbaarheid
daarvoor korting kregen op uitgaven van de Wereldbibliotheek
en een paar keer per jaar zo’n premie-uitgave, iets wat
tweehonderddrieëndertig keer gebeurde (waarvan honderdzesenzeventig
keer onder de vorm van een boekje) maar na 1986 ophield. Wat vooraan
in dit boekje staat, is dus onzin, gezien de “traditie” bij het
verschijnen ervan al dertien jaar wijlen was, maar goed, de auteur
van het boekje, Erik Vlaminck, was in 1992 overgestapt naar
Wereldbibliotheek als uitgever, wat ook verklaart waarom er
achterin dit boekje samenvattingen van en stukken uit recensies over
Quatertemperdagen (1992), Wolven huilen (1994), Stanny,
een stil leven (1996), en De portrettentrekker (1998)
staan en waarom de ‘wereld’ plotseling in Vlaanderen (Vlaminck is
afkomstig uit Kapellen) te vinden was.
Nu doet dat er uiteraard niet zo heel erg veel toe, de ‘wereld’
is - al weet iedereen dat tomate crevettes, het gerecht dus,
wel zeer typisch ‘belgisch’ is - ook wel een beetje te vinden in
dit boekje. Erik Vlaminck lijkt namelijk sterk leentjebuur te hebben
gespeeld bij enerzijds George Orwell, meer bepaald in diens Down
and out in Paris and London (eigenaardig genoeg vertaald als Aan
de grond in Londen en Parijs), en anderzijds Charles Bukowski
(van wie ik eerder Warmwatermuziek en Kind onder kannibalen besprak). Een soort hard boiled
verhaal over slapen in armenhuizen en op straat is daarvan het
resultaat. Een resultaat dat absoluut niet slecht geschreven is, in
tegendeel, maar waarvan ik, omdat ik voor de rest niks van Vlaminck
gelezen heb, niet kan zeggen of de stijl eigen is aan de auteur of
dat het een rip-off is die hij niet meer een veertigtal
bladzijden weet vol te houden. Iets wat dan weer niet zo belangrijk
zou zijn als ik geen weet had van de boeken van Orwell en Bukowski,
maar dat nú dus wel is.
“Vroeger had ik mijn ogen maar te sluiten en ze waren er. Of ik het
nu wilde of niet. Ik lag dan als verlamd op een bed en ze stonden
naast me. Met spitse borsten. Of ze zaten in stoelen. Stoelen met
leuningen en met kunstig gedraaide poten zoals er thuis in de beste
kamer stonden. Op zulke stoelen zaten ze. Met de benen gespreid; hun
knieholten rustten op de leuningen. Ze hadden steevast grijnzende,
uitdagende gezichten. Met blinkende ogen. Met blinkende lippen. Ze
streelden met lange vingers over hun geslacht. Openden het. Ze
lachten mij uit omdat ik een stijve had”, kan dan als vrij
choquerend overkomen als je niet veel gewoon bent, maar een keer je
Bukowski gelezen hebt, komt dit over als het imitatieleder dat
wellicht op die stoelen zit.
“Omdat ik geen schoenen meer had, heb ik bij het Community House
aangeklopt. Een van de grootste problemen van een outcast zoals ik,
is de schoenennood. Eten en kleren zijn in elke stad te vinden voor
wie de stiel een beetje kent. Passende schoenen niet. En ik heb
passende schoenen nodig want ik heb moeilijke voeten. Eelt,
schimmels, kalknagels, eksterogen, over elkaar gegroeide tenen: ik
heb het allemaal. Ik stond blijkbaar bij de laatsten in de rij toen
God de voeten uitdeelde”, kan een stevige duik in de miserie
lijken, maar het komt niet half zo echt over als wat Orwell over zijn
jaren in de goot in Londen en Parijs geschreven heeft.
En bij Orwell noch Bukowski is er na vijfentwintig bladzijden in
klein formaat zicht op een einde aan de ellende. Laat staan dat hun
personages/zijzelf nog een paar bladzijden later weer thuis zijn, zij
het dan nog niet helemaal uit de problemen. Een hebbedingetje om even
snel te lezen, dit boekje, en dan weer door te schuiven naar iemand
anders die een half uurtje vol te maken heeft. En dat wat op de
achterflap staat, is dat dan slechts een lokkertje? Zegt “Bij de
hoge schrijftafels likken lipstickwijven aan postzegels die ze met
langenagelvingers op enveloppen kleven. Dear mother, dear father…
Kerels met dassen en aktetassen lopen gejaagd door de hal. Alle
postbeambten zijn grijs. Muisgrijs. En ik, ik heb dat prachtige
repeteergeweer. Koel, glad en matglanzend. FN, made in Belgium.”
dan niks over de inhoud? Nee. Tenzij dat het er ook toe behoort,
natuurlijk. Een hardgekookt fantasietje in een verder ook al niet
lichtgekookt wereldje.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !