Jean du Parc, Jean du Parc… de naam doet bij u geen belletje
rinkelen? Geloof me, bij mij was dat ook niet het geval, maar met
enige omwegen kwam ik er ten slotte achter dat Jean du Parc de ‘nom
de plume’ was van Willem Putman. En dié, die kent u
ongetwijfeld wél.
Nee,
ook niet? Da’s raar… Alhoewel… Nee, ik ben flauwekul aan het
verkopen, ik kende Putman ook niet bij zijn echte naam, al heeft ie
dan tussen 1918, het jaar waarin hij achttien werd, en 1954, het jaar
waarin hij overleed, meer dan vijftig toneelstukken, romans, oratoria
en novelles bij mekaar geschreven. Vanaf 1946 onder de naam Jean du
Parc: tijdens de oorlog was hij immers medewerker van een tweetal
‘collaboratiebladen’ geweest, werd een stuk van hem opgevoerd in
Hamburg, gaf hij lezingen op verschillende ‘Kultuurdagen’, en was
hij actief bij de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft,
allemaal dingen waar de belgische staat na afloop van die oorlog niet
echt goed mee om kon. Gevolg: Berufsverbot, zijn burgerrechten
kwijt, niet meer kunnen publiceren onder z’n eigen naam, maar toch
een gezin met zes kinderen te onderhouden hebben, dus schrijven onder
schuilnaam. Tevergeefs overigens, al snel wist zo goed als iedereen
dat Jean du Parc Willem Putman was (toen nog wel). Wat er niet echt
toe deed, klaarblijkelijk, want de belgische staat liet hem verder
met rust.
Genoeg met rust zelfs om een boek als Christine Lafontaine (voor het
eerst gepubliceerd in 1946) te kunnen schrijven, dat toch handelt
over de Duitse bezetting en waarin de Duitsers niet als beesten
worden neergezet, en z’n in 1940 gepubliceerde toneelstuk Mevrouw
Pilatus te herwerken tot een in
1949 gepubliceerde “tragedie der gerechtigheid”, waarin
een niet onbelangrijk aantal joden niet op z’n gunstigst
geschilderd worden. Of die romans ook zijn beste werken waren, weet
ik niet (meer van Putman heb ik niet gelezen), maar ze werden in
ieder geval meer dan twintig jaar na zijn overlijden gebundeld in een
Jean du Parc omnibus (met name in nummer 2), en die
omnibus, verschenen bij D.A.P. Reinaert Uitgaven, stond in
mijn boekenkast.
Stond,
inderdaad. Om meerdere redenen. Christine Lafontaine, of toch
het verhaal onder die titel, mag dan al zo’n driehonderd bladzijden
dik zijn, voor mij was het een zéér lang uitgesponnen, met een
overvloed van woorden, en enigszins blasé gebrachte
stationsroman (al heeft Putman behalve met enige dikdoenerij over de
klassieke stukken die het hoofdpersonage speelt – en waar hij
ongetwijfeld zelf van hield, hij speelde kennelijk zelf niet
onverdienstelijk - dan met een truc, het regelmatig wisselen van
point of view, geprobeerd dat idee te temperen). Okee, dat een
vrouw met haar kind alleen komt te staan omdat haar man
krijgsgevangen genomen is door de Duitsers, dat begrijp ik. Dat die
vrouw, ondanks het feit dat haar man toch ook maar een officier is en
zij kennelijk niks moet doen voor de kost, in een betrekkelijke
weelde leeft, tot daar aan toe (een lezer hoeft ook niet alles te
weten). Dat het huis waarin die vrouw, met haar kind én
dienstmeisje, woont groot genoeg is om op de ‘zolder’ een Duitse
officier ingekwartierd te krijgen, goed, er moet een beetje spanning
zijn. Dat die Duitse officier stapelverliefd op haar wordt, dat kan
gebeuren. Dat zij zo trouw is aan haar ergens in Beieren verblijvende
man dat ze dat in eerste instantie nauwelijks door heeft ook. Maar
dat er ná die Duitse officier ook nog een broer van haar man langs
komt om haar ‘binnen te doen’ en na hem een collega van haar man
die nota bene mét hem krijgsgevangen gezeten heeft, dat is er meer
dan over (al helemaal omdat die laatste twee allebei enig geweld niet
schuwen om hun goesting te krijgen of tenminste dat te proberen). Dat
die man dan bij zijn terugkomst een jaloeziecrisis krijgt terwijl er
niks is om jaloers over te zijn, nog méér. Dat zij dan op haar
beurt een flauwte krijgt terwijl ze naar een vijver loopt in plaats
van zich te verdrinken, dat is belachelijk. En dat (bijna) alles op
het einde toch nog goed komt al helemaal. En wat te zeggen van
Mevrouw Pilatus? Awel, dat heeft een aantal van de nadelen van
Christine Lafontaine – ook hier is het duidelijk dat de
ideale vrouwen voor de auteur een soort idool maken van hun man, een
idool dat als het van zijn voetstuk valt, riskeert in gruzelementen
te breken -, maar ook het potentieel van een goed verhaal. Mevrouw
Pilatus is, u had de naam ongetwijfeld al herkend, de vrouw van
de man die de geschiedenis ingegaan is als degene die zijn handen in
onschuld waste nadat hij de joodse bevolking van Jeruzalem de keuze
tussen de moordenaar Barabbas en Jezus Christus heeft laten
beslechten in het nadeel van die laatste. En het naar haar genoemde
verhaal is het verhaal van Jezus Christus vanaf zijn opsluiting in de
gevangenis tot kort na zijn dood, maar dan gezien vanaf de Romeinse
kant. Meneer Pilatus speelt daarin, naast zijn ‘madam’, uiteraard
een grote rol, maar ook een aantal van zijn officieren, de courtisane
Maria Magdalena (een niet alleen vanwege het feit dat ze joods is
onwaarschijnlijke vriendin van mevrouw Pilatus), Jozef van Arimathea,
de ‘heren’ van het Sanhedrin, Barabbas zelf (en niet in een
bijrol), en nog wat volk daar tussenin. Een onbekende kant van de
medaille, een verwaarloosde kant in ieder geval, met het potentieel
van een alternatieve geschiedenis, iets waar het verhaal lange tijd
naartoe lijkt te evolueren, totdat aan die evolutie abrupt een einde
komt. Met een volkomen onlogische hersenkronkel van meneer Pilatus:
op de ene bladzijde zegt hij nog dat de ‘heren’ van het Sanhedrin
de pot op kunnen met hun vraag om Jezus te veroordelen en voegt hij
daar aan toe dat hij lak heeft aan wat ‘het volk’ volgens hen
wil, want dat dat volk een brede rug heeft (waarop de elite dus
eender wat kan schuiven), maar op de volgende denkt hij een geniale
truc gevonden te hebben door datzelfde volk te laten kiezen tussen de
moordenaar Barabbas en de vooral met zijn tong (althans volgens de
Romeinen) indrukwekkende Jezus. Alsof de heren van het Sanhedrin geen
campagne zullen voeren tégen Jezus, alsof ze dat volk niet zullen
manipuleren. Tot op het moment dat meneer Pilatus besliste dat die
keuze een geniale zet van hem was, had ik goede hoop dat dit verhaal
me Christine Lafontaine helemaal zou doen vergeten, maar
daarna was dat wel gedaan, temeer omdat mevrouw Pilatus gewoon
Christine Lafontaine maar in overdrive is. Met een evenzeer
overdrivende meneer Pilatus als tegenspeler.
Dat gezegd zijnde, ook de stijl van – vooral – Christine
Lafontaine werkte me op de zenuwen. Het kán een stijl geweest
zijn waarvoor zwijmelende vrouwen, het soort waar Putman kennelijk
van hield, vielen, maar ik voelde al kriebels opkomen bij de eerste
paragrafen van het eerste hoofdstuk: “Het huis zingt. Het schijnt
in wellustige overdadigheid muziek uit te wasemen als een bloemtuil
die te fel geurt, terwijl de lentezon lichtkladden werpt op de
keurige draperieën en de veelal rumoerige straat geleidelijk
verstomt in een angstvallig, haast huiverig zwijgen. Er hangt een
tedere wazigheid over het stadje, waarin als het ware de schim van
een schuchter verlangen naar betere tijden hangt – want het is de
meimaand van het oorlogsjaar negentienhonderdeenenveertig. En het is
de eerste maal dat het huis zingt, sinds een heel jaar – het
statige patriciërshuis, dat min of meer de straat beheerst, en
twaalf maanden gehuld lag in een weigerige stugge stilte.” Of bij
deze: “Men begrijpt niet hoe het eerste sprietje groen onvoorzien
opduikt in een barre kleurloosheid. Men begrijpt niet hoe de eerste
rimpel de vlakheid van een waterspiegel beroert. Men begrijpt het
wonder niet. Geen mens peilt in de diepte van een gemoed, dat des te
grondelozer schijnt naarmate het rijk is. En zo is er schroom in de
verrukking waarmede de ziel van Christine Lafontaine haar omgeving
toespreekt.” Of bij deze: “Er zijn veel kussen geweest in mijn
leven. Het is eigenaardig dat vooral sommige kussen blijven leven in
je verbeelding. Het is mij genoeg ze mij te herinneren om een rilling
door mijn leden te voelen varen. In het bijzonder heb ik toen gedacht
aan die kus in een donkere bioscooploge, waar ik mij langzaam
achterover neeg, mijn hoofd lei in de plooi van zijn arm, en dan
verging onder zijn adem, gewoon verging, wegsmolt, wegdoezelde in een
beklemmend genot, zonder bodem en zonder einder…” Noem mij
onromantisch, maar nadat ik m’n best gedaan heb om een tiental van
die passages in ernst te lezen, houdt het voor mij wel zo’n beetje
op. Ik ga dan diagonaal lezen omdat ik te veel karakter heb om het
boek gewoon dicht te slaan en nooit meer te openen, en hopen dat het
snel beter wordt, maar dat doet het niet: ook Putman was een
volhouder, Christine Lafontaine is een kelk vol blabla, van
begin tot einde.
Wat een stuk minder is in Mevrouw Pilatus – op de passages na
dan waarin we meegenomen worden in de ‘gedachtenwereld’ van die
mevrouw Pilatus -, maar als ik de toevallige bezitters van deze
omnibus een tip zou mogen geven: vergeet Christine Lafontaine
en lees enkel Mevrouw Pilatus. Dat die geschiedenis op een
zeker moment niét meer alternatief blijkt te zijn, of toch niet in
die mate waarin je dat zou hopen, is misschien iets waar u minder
zwaar aan tilt dan ik.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !