vrijdag 30 oktober 2026

Christine Lafontaine / Mevrouw Pilatus - Jean du Parc (boekbespreking door Björn Roose)

Christine Lafontaine / Mevrouw Pilatus - Jean du Parc (boekbespreking door Björn Roose)
Jean du Parc, Jean du Parc… de naam doet bij u geen belletje rinkelen? Geloof me, bij mij was dat ook niet het geval, maar met enige omwegen kwam ik er ten slotte achter dat Jean du Parc de ‘nom de plume’ was van Willem Putman. En dié, die kent u ongetwijfeld wél.

Nee, ook niet? Da’s raar… Alhoewel… Nee, ik ben flauwekul aan het verkopen, ik kende Putman ook niet bij zijn echte naam, al heeft ie dan tussen 1918, het jaar waarin hij achttien werd, en 1954, het jaar waarin hij overleed, meer dan vijftig toneelstukken, romans, oratoria en novelles bij mekaar geschreven. Vanaf 1946 onder de naam Jean du Parc: tijdens de oorlog was hij immers medewerker van een tweetal ‘collaboratiebladen’ geweest, werd een stuk van hem opgevoerd in Hamburg, gaf hij lezingen op verschillende ‘Kultuurdagen’, en was hij actief bij de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft, allemaal dingen waar de belgische staat na afloop van die oorlog niet echt goed mee om kon. Gevolg: Berufsverbot, zijn burgerrechten kwijt, niet meer kunnen publiceren onder z’n eigen naam, maar toch een gezin met zes kinderen te onderhouden hebben, dus schrijven onder schuilnaam. Tevergeefs overigens, al snel wist zo goed als iedereen dat Jean du Parc Willem Putman was (toen nog wel). Wat er niet echt toe deed, klaarblijkelijk, want de belgische staat liet hem verder met rust.

Genoeg met rust zelfs om een boek als Christine Lafontaine (voor het eerst gepubliceerd in 1946) te kunnen schrijven, dat toch handelt over de Duitse bezetting en waarin de Duitsers niet als beesten worden neergezet, en z’n in 1940 gepubliceerde toneelstuk Mevrouw Pilatus te herwerken tot een in 1949 gepubliceerde “tragedie der gerechtigheid”, waarin een niet onbelangrijk aantal joden niet op z’n gunstigst geschilderd worden. Of die romans ook zijn beste werken waren, weet ik niet (meer van Putman heb ik niet gelezen), maar ze werden in ieder geval meer dan twintig jaar na zijn overlijden gebundeld in een Jean du Parc omnibus (met name in nummer 2), en die omnibus, verschenen bij D.A.P. Reinaert Uitgaven, stond in mijn boekenkast.

Stond, inderdaad. Om meerdere redenen. Christine Lafontaine, of toch het verhaal onder die titel, mag dan al zo’n driehonderd bladzijden dik zijn, voor mij was het een zéér lang uitgesponnen, met een overvloed van woorden, en enigszins blasé gebrachte stationsroman (al heeft Putman behalve met enige dikdoenerij over de klassieke stukken die het hoofdpersonage speelt – en waar hij ongetwijfeld zelf van hield, hij speelde kennelijk zelf niet onverdienstelijk - dan met een truc, het regelmatig wisselen van point of view, geprobeerd dat idee te temperen). Okee, dat een vrouw met haar kind alleen komt te staan omdat haar man krijgsgevangen genomen is door de Duitsers, dat begrijp ik. Dat die vrouw, ondanks het feit dat haar man toch ook maar een officier is en zij kennelijk niks moet doen voor de kost, in een betrekkelijke weelde leeft, tot daar aan toe (een lezer hoeft ook niet alles te weten). Dat het huis waarin die vrouw, met haar kind én dienstmeisje, woont groot genoeg is om op de ‘zolder’ een Duitse officier ingekwartierd te krijgen, goed, er moet een beetje spanning zijn. Dat die Duitse officier stapelverliefd op haar wordt, dat kan gebeuren. Dat zij zo trouw is aan haar ergens in Beieren verblijvende man dat ze dat in eerste instantie nauwelijks door heeft ook. Maar dat er ná die Duitse officier ook nog een broer van haar man langs komt om haar ‘binnen te doen’ en na hem een collega van haar man die nota bene mét hem krijgsgevangen gezeten heeft, dat is er meer dan over (al helemaal omdat die laatste twee allebei enig geweld niet schuwen om hun goesting te krijgen of tenminste dat te proberen). Dat die man dan bij zijn terugkomst een jaloeziecrisis krijgt terwijl er niks is om jaloers over te zijn, nog méér. Dat zij dan op haar beurt een flauwte krijgt terwijl ze naar een vijver loopt in plaats van zich te verdrinken, dat is belachelijk. En dat (bijna) alles op het einde toch nog goed komt al helemaal. En wat te zeggen van Mevrouw Pilatus? Awel, dat heeft een aantal van de nadelen van Christine Lafontaine – ook hier is het duidelijk dat de ideale vrouwen voor de auteur een soort idool maken van hun man, een idool dat als het van zijn voetstuk valt, riskeert in gruzelementen te breken -, maar ook het potentieel van een goed verhaal. Mevrouw Pilatus is, u had de naam ongetwijfeld al herkend, de vrouw van de man die de geschiedenis ingegaan is als degene die zijn handen in onschuld waste nadat hij de joodse bevolking van Jeruzalem de keuze tussen de moordenaar Barabbas en Jezus Christus heeft laten beslechten in het nadeel van die laatste. En het naar haar genoemde verhaal is het verhaal van Jezus Christus vanaf zijn opsluiting in de gevangenis tot kort na zijn dood, maar dan gezien vanaf de Romeinse kant. Meneer Pilatus speelt daarin, naast zijn ‘madam’, uiteraard een grote rol, maar ook een aantal van zijn officieren, de courtisane Maria Magdalena (een niet alleen vanwege het feit dat ze joods is onwaarschijnlijke vriendin van mevrouw Pilatus), Jozef van Arimathea, de ‘heren’ van het Sanhedrin, Barabbas zelf (en niet in een bijrol), en nog wat volk daar tussenin. Een onbekende kant van de medaille, een verwaarloosde kant in ieder geval, met het potentieel van een alternatieve geschiedenis, iets waar het verhaal lange tijd naartoe lijkt te evolueren, totdat aan die evolutie abrupt een einde komt. Met een volkomen onlogische hersenkronkel van meneer Pilatus: op de ene bladzijde zegt hij nog dat de ‘heren’ van het Sanhedrin de pot op kunnen met hun vraag om Jezus te veroordelen en voegt hij daar aan toe dat hij lak heeft aan wat ‘het volk’ volgens hen wil, want dat dat volk een brede rug heeft (waarop de elite dus eender wat kan schuiven), maar op de volgende denkt hij een geniale truc gevonden te hebben door datzelfde volk te laten kiezen tussen de moordenaar Barabbas en de vooral met zijn tong (althans volgens de Romeinen) indrukwekkende Jezus. Alsof de heren van het Sanhedrin geen campagne zullen voeren tégen Jezus, alsof ze dat volk niet zullen manipuleren. Tot op het moment dat meneer Pilatus besliste dat die keuze een geniale zet van hem was, had ik goede hoop dat dit verhaal me Christine Lafontaine helemaal zou doen vergeten, maar daarna was dat wel gedaan, temeer omdat mevrouw Pilatus gewoon Christine Lafontaine maar in overdrive is. Met een evenzeer overdrivende meneer Pilatus als tegenspeler.

Dat gezegd zijnde, ook de stijl van – vooral – Christine Lafontaine werkte me op de zenuwen. Het kán een stijl geweest zijn waarvoor zwijmelende vrouwen, het soort waar Putman kennelijk van hield, vielen, maar ik voelde al kriebels opkomen bij de eerste paragrafen van het eerste hoofdstuk: “Het huis zingt. Het schijnt in wellustige overdadigheid muziek uit te wasemen als een bloemtuil die te fel geurt, terwijl de lentezon lichtkladden werpt op de keurige draperieën en de veelal rumoerige straat geleidelijk verstomt in een angstvallig, haast huiverig zwijgen. Er hangt een tedere wazigheid over het stadje, waarin als het ware de schim van een schuchter verlangen naar betere tijden hangt – want het is de meimaand van het oorlogsjaar negentienhonderdeenenveertig. En het is de eerste maal dat het huis zingt, sinds een heel jaar – het statige patriciërshuis, dat min of meer de straat beheerst, en twaalf maanden gehuld lag in een weigerige stugge stilte.” Of bij deze: “Men begrijpt niet hoe het eerste sprietje groen onvoorzien opduikt in een barre kleurloosheid. Men begrijpt niet hoe de eerste rimpel de vlakheid van een waterspiegel beroert. Men begrijpt het wonder niet. Geen mens peilt in de diepte van een gemoed, dat des te grondelozer schijnt naarmate het rijk is. En zo is er schroom in de verrukking waarmede de ziel van Christine Lafontaine haar omgeving toespreekt.” Of bij deze: “Er zijn veel kussen geweest in mijn leven. Het is eigenaardig dat vooral sommige kussen blijven leven in je verbeelding. Het is mij genoeg ze mij te herinneren om een rilling door mijn leden te voelen varen. In het bijzonder heb ik toen gedacht aan die kus in een donkere bioscooploge, waar ik mij langzaam achterover neeg, mijn hoofd lei in de plooi van zijn arm, en dan verging onder zijn adem, gewoon verging, wegsmolt, wegdoezelde in een beklemmend genot, zonder bodem en zonder einder…” Noem mij onromantisch, maar nadat ik m’n best gedaan heb om een tiental van die passages in ernst te lezen, houdt het voor mij wel zo’n beetje op. Ik ga dan diagonaal lezen omdat ik te veel karakter heb om het boek gewoon dicht te slaan en nooit meer te openen, en hopen dat het snel beter wordt, maar dat doet het niet: ook Putman was een volhouder, Christine Lafontaine is een kelk vol blabla, van begin tot einde.

Wat een stuk minder is in Mevrouw Pilatus – op de passages na dan waarin we meegenomen worden in de ‘gedachtenwereld’ van die mevrouw Pilatus -, maar als ik de toevallige bezitters van deze omnibus een tip zou mogen geven: vergeet Christine Lafontaine en lees enkel Mevrouw Pilatus. Dat die geschiedenis op een zeker moment niét meer alternatief blijkt te zijn, of toch niet in die mate waarin je dat zou hopen, is misschien iets waar u minder zwaar aan tilt dan ik.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !