
Geen asiel voor legioensoldaten van Per Olov Enquist stond in
mijn boekenkasten gewijd aan fictie. Niet omwille van wat er op de
achterflap van het boek, in Nederlandse vertaling uitgegeven bij
De
Boekerij in een mij onbekend jaar (in het Zweeds verscheen het in
1968), stond, maar omwille van de vermelding “roman” op de
voorpagina en de daar onder staande aanprijzing “bekroond met de
Scandinavische litteratuurprijs en de Zweedse staatsprijs”. De
auteur houdt overigens ook vol dat het om een roman gaat, maar
behalve het gedaas over zijn zijdelings deelname aan een of andere
Amerikaanse
civil rights-mars en de pagina’s die hij vult
met twijfels over z’n motivering is dat absoluut niet het geval.
Geen asiel voor legioensoldaten is niet eens geromantiseerde
geschiedenis of geschiedkundige fictie of hoe je het ook wil noemen,
het is een meer dan driehonderd bladzijden lang verslag van een
episode in de Zweedse geschiedenis die hij zelf in één bladzijde
vertelt op pagina elf (om er dan dus vervolgens nog eens driehonderd
bladzijden lang over door te gaan). Het is dan ook volkomen terecht
dat Enquist in zijn
Voorwoord het volgende schrijft: “Dit is
een roman over de uitlevering van de Balten, maar indien de benaming
‘roman’ iemand stotend voorkomt, kan deze ook vervangen worden
door ‘reportage’ of ‘boek’. Ik heb getracht me tot in de
kleinste en meest onbeduidende details exact aan de werkelijkheid te
houden: heb ik gefaald, dan berust dit eerder op onvermogen dan op
mijn goede wil. De gebeurtenissen die beschreven worden hebben echt
plaatsgevonden, de personen die in dit boek voorkomen, leven of
hebben geleefd, al ben ik in veel gevallen genoodzaakt geweest hen of
anderen te beschermen door gefingeerde initialen te gebruiken.”
Geen “roman” dus, maar wel een boek “over de uitlevering van de
Balten”, een geschiedenis die mogelijk nu nog een belletje zal doen
rinkelen in Zweden (of dat weer zou mogen doen nu “de Balten”
weer een rol spelen in de geschiedenis, de Duitsers op een of andere
manier de ‘good guys’ zijn geworden en de Russen terug hun
rol van ‘bad guys’ zijn opgedrongen), maar dat bij mij
niét deed en dus bij u wellicht óók niet. Een geschiedenis die, en
ik citeer de reeds eerder genoemde bladzijde elf, hier op neerkomt:
“In de eerste twee weken van mei 1945 gingen in verband met de
vrede een groot aantal Duitse militairen naar Zweden. Ze kwamen
vooral uit het oosten, omdat ze onder geen omstandigheid bereid waren
zich als krijgsgevangenen aan de Russen over te geven. Ze kwamen van
de Baltische staten, in de eerste plaats van de vooruitgeschoven
Koerlandlinie in Letland, maar ze kwamen ook van Danzig. Ze waren
ongeveer 3000 in getal, en ze werden onmiddellijk geïnterneerd.
Onder hen bevond zich een vrij klein aantal Balten, dat deels
vrijwillig dienst genomen had in het Duitse leger, deels geronseld was.
De Baltische legioensoldaten kwamen van twee kanten, van Koerland
gingen ze naar de oostkant van Gotland, en van Danzig via Bornholm
naar Ystad. Er was er maar één, die per vliegtuig kwam. Hij landde
in de buurt van Malmö en pleegde acht maanden later zelfmoord op de
kade van Trelleborg. In totaal waren het 167 man, waarvan 7 Esten, 11
Litouwers en 149 Letten. Ze droegen allen de Duitse uniform.
Zij die op Gotland aankwamen werden in een kamp ondergebracht, vlak
bij Hvadhem, ze werden begin oktober via Rinkaby naar Bökeberg
gevoerd en twee weken later naar Ränneslätt. In november deelde de
regering mee, dat ze allen aan de Russen uitgeleverd zouden worden.
De geïnterneerden protesteerden toen door in hongerstaking te gaan,
sommigen pleegden zelfs zelfmoord, hetgeen tot gevolg had dat de
uitlevering uitgesteld werd tot januari 1946. De 25ste januari 1946
werden deze Baltische soldaten aan de Sovjetunie uitgeleverd. De
groep was toen tot 146 man geslonken. Het schip dat hen wegvoerde
heette de ‘Beloostrov’. De 21 man die niet uitgeleverd werden
waren óf dood, zwaar gewond en ziek òf veel te zwak om vervoerd te
kunnen worden; enigen waren om andere redenen vrijgelaten.
De tijd dat ze in Zweden verbleven omvat in totaal acht maanden. Dat
is de hele historie in het kort.
De situatie, die we voorlopig ‘de Baltenkwestie’ kunnen noemen,
ontstaat evenwel niet in mei 1945, maar veel vroeger. De situatie
spitst zich echter in de herfst van 1945 toe, bereikt een schijnbaar
hoogtepunt in november van dat jaar en nog een tweede in januari
1946. Vanzelfsprekend houdt de ontwikkeling daar niet op, want in
1968 bestaat en verandert ze nog steeds.”
De Baltenkwestie is dus, voor wie enigszins bekend is met de
geschiedenis van het Oostfront, niet uniek. Andrey Andreyevich Vlasov
bijvoorbeeld, die als generaal van het Rode Leger zijn troepen leidde
in de Slag om Moskou en later door de Duitse vijand gevangen nomen
werd bij Leningrad maar in gevangenschap besloot zijn jas te keren en
met de Duitsers tegen de Sovjets te vechten, werd met hulp van de
Verenigde Staten gevangengenomen door de Sovjet-Unie en na een geheim
‘proces’ opgehangen, en hij was beslist niet de enige, maar hij
was wél een Rus. Het aantal niet-Russen dat door de o zo
democratische Geallieerden of de o zo neutrale landen als Zweden werd
uitgeleverd aan een dictatuur (want dat was de Sovjet-Unie in de
eerste plaats) waarvan met zekerheid kon gezegd worden dat ze er
minstens naar alle waarschijnlijkheid nooit meer uit zouden
terugkeren en die hen wellicht niet fair zou behandelen was echter
ook groot – onder andere Kozakken werden door de geallieerden naar
de Sovjet-Unie gestuurd, al verzetten die zich daar onder andere in
het Oostenrijkse Linz zwaar tegen - en hún uitlevering kon nooit
worden goedgepraat. Althans niet volgens mij. Terwijl net uitzoeken
of dat wél kon het doel leek van dit zeer gedetailleerde werk van Enquist.
Ik ga u dus niet lastig vallen met allerlei historische ‘details’
om precies die reden: wie zoekt naar een stok om de hond mee te
slaan, vindt die altijd wel, maar ik ben simpelweg van oordeel dat de
hond niet moest geslagen worden. We kunnen wat op en af praten over
oorlogsmisdadigers, maar laat ons wel wezen (en dat blijkt ook uit
dit uitgebreide verslag van Enquist): de meeste mensen in Duits
uniform waren simpelweg geen oorlogsmisdadigers. En degenen die dat
wél waren, konden ook voor de rechtbank gebracht worden in andere
landen, bijvoorbeeld in de landen waar ze heen gevlucht waren.
Bovendien is ballingschap voor het overgrote deel van de mensen, of
ze nu in Duits uniform gevochten hebben of niet, óók een straf. Dat
ze nooit meer naar huis gekund hadden, was voor deze
“legioensoldaten”, die – zoals veel Vlamingen – gemeend
hadden dat ze hun land en volk verdedigden tegen de communisten door
aan de zijde te vechten van de nationaal-socialisten (zoals we nu met
z’n allen aangemoedigd worden de kant te kiezen van Oekraïense
neo-nazimilities in hun strijd tegen de, wederom, stoute Ruski’s),
op lange termijn wellicht zelfs zo onoverkomelijk geworden dat ze
zich misschien vrijwillig overgegeven hadden aan de Sovjets.
Dat er onder de burgers, die wél in Zweden mochten blijven overigens
mogelijk échte oorlogsmisdadigers zaten, wordt in dit boek een paar
keer vermeld (“onder hen waren een stuk of wat evidente
oorlogsmisdadigers, die van Russische zijde steeds aangevallen
werden”), maar speelde klaarblijkelijk geen rol in de beslissing
die de ene Zweedse regering nam en de volgende trouw uitvoerde.
Feiten deden er niet zo veel toe, schuld ook niet, de Sovjets hadden
het gevraagd, en de uitlevering werd hoogstens goedgepraat door te
stellen dat het toch immoreel zou zijn (stel je voor) om pakweg
Franse ‘collaborateurs’ uit te wijzen naar Frankrijk, maar
Baltische niet naar de Baltische landen (die op dat moment –
ondanks het vooroorlogse en ‘oorlogse’ verzet van vele Balten –
integraal deel gaan uitmaken waren van de Sovjet-Unie): “Hij
verklaarde, dat er totaal geen reden was de rechtspleging van de
Sovjetunie te wantrouwen, en dat het onbeschaamd was de Sovjet als
iets anders te beschouwen dan een rechtsstaat. Hij verklaarde
bovendien dat hij in de meningen die hij nu had horen verkondigen
gemeend had speculaties te bespeuren over een zekere kloof tussen
oost en west bij de geallieerden. Zulke speculaties achtte hij
onnodig. Hij verklaarde dat er geen aanleiding bestond juist de
Sovjetunie te desavoueren, of te veronderstellen dat de Sovjetunie
een barbaarse staat was.”
En dat alles nog los van het feit dat het zogenaamd neutrale Zweden
óók boter op het hoofd had: “In 1938 werden de visumbepalingen
nog meer verscherpt. Duitse Joden hadden sinds de 5de oktober 1938
een rode J in hun pas staan. Op 27 oktober 1938 deelde het
Departement van Buitenlandse Zaken in een circulaire mee, dat
personen met een J in hun pas in principe geen vergunning konden
krijgen om het land binnen te komen, ‘tenzij de betreffende Zweedse
overheid na ingesteld onderzoek gronden aanwezig vond om deze
personen op te nemen.’ En men vervolgde: ‘Zodra men weifelt, mag
er geen stempel in een pas gegeven worden zonder toestemming van het
Departement van Buitenlandse Zaken.’ In de herfst van 1941 werden
de restricties iets minder zwaar, er bestond ook niet meer zoveel
risico, aangezien het de Joden die in het Duitse rijk woonden toen al
belet werd het land te verlaten.” Dat een land dat op die manier
meegeholpen heeft aan een volkerenmoord mensen gaat uitwijzen die in
negenennegentig procent van de gevallen niet eens één jood hadden
kwaad gedaan, is toch wel bijzonder... immoreel.
Ik bespaar u de verdere details, ook wat bijvoorbeeld de dossiers van
de individuele gevangenen betreft (in zoverre er van dossiers sprake
was), of de verschillende kampen waarin ze in Zweden zaten, of het
eten en het drinken, of de onderlinge strijd om het leiderschap, of
de verschillende zelfmoorden en zelfmoordpogingen (onder andere door
een potlood van vijftien centimeter door een oog naar binnen te
rammen), of de rol van de kerk in Zweden (ook tijdens de oorlog),
enzovoort. Enquist is daar allemaal zéér uitgebreid op ingegaan in
dit boek en wie echt het naaldje van het draadje wil weten, kan dit
boek maar beter lezen. Maar een paar dingen tekende ik toch aan als
bijzonder (en daar reken ik het tweetal keer dat “gravida” is
blijven staan in plaats van de vertaling daarvan, zijnde ‘zwanger’,
niet toe) en wil ik ook nog meegeven.
Over de Duitse geïnterneerden: “Het Duitse deel van het
kamp Ränneslätt werd, naar mate de zomer voortschreed steeds meer
een staat in de staat. De Duitsers werd een grote mate van vrijheid
gelaten in het kamp, zij organiseerden zelf hun interne toestanden,
schiepen op grond van het oude gezag een nauwgezet functionerende,
militaire discipline die ongelooflijk hard was. De oorlog was
afgelopen, de legers verdwenen zoetjesaan en over Europa viel die
eerste zomer een zekere moeheid, maar in Ränneslätt in Zweden was
nog een laatste rest van dat minutieus werkende, volmaakte Duitse
oorlogsapparaat te vinden, met al zijn ceremonieën, met zijn eis van
absolute gehoorzaamheid met zijn militaire hiërarchie en voor alles
met zijn nog geheel intacte en onbeschadigde ideologische basisvlak.
Daar hadden de elitesoldaten zich verzameld, nog in het bezit van hun
oude vitaliteit, zij waren niet verslagen, zij organiseerden hun
wereld met ongehoorde preciesheid. De Zweedse officieren praatten
vaak vol verbazing hierover, en ook met een zekere mate van
bewondering: Hoe deze fractie van het Duitse leger zelfs in de
afzondering van de gevangenschap zich snel herstelde, en zijn oude
vormen weer tot leven riep.” Wat zich zelfs uitte in de
hongerstaking die volgde op die van de Balten: “De Duitsers waren
later in hongerstaking gegaan dan de Balten, maar ze hadden het
effectiever gedaan door geen water te drinken. Hun toestand was,
volgens uitspraken van de artsen, ‘erger dan die van de Balten’.”
Maar ook, om te eindigen, over de Russen: “De Russen waren ‘de
erfvijand’, die met stereotiepe hardnekkigheid altijd weer in het
debat terugkeerde, om de Russen moest al dat geld voor de defensie
besteed worden.” Waarbij elke gelijkenis met 2025 uiteraard louter
op toeval gebaseerd is.
“Alle uitgeleverde Letten op vier na schijnen in augustus
1946 vrijgelaten te zijn. De winter brachten ze in vrijheid door.
Begin april 1947 werd een groep van de uitgeleverden opnieuw
gearresteerd. In een reeks van processen tijdens het voorjaar, de
zomer en de herfst van 1947 werden ze ervan beschuldigd
oorlogsmisdadigers te zijn en veroordeeld tot verschillende
gevangenisstraffen, en in één geval tot de doodstraf (…) 18
Letten kwamen in strafkampen terecht. Als men de 9 twijfelgevallen er
bij optelt wordt het aantal 27. Het ligt vermoedelijk iets lager.
Rekening houdend met mogelijke vergissingen en naar boven afrondend
kan men zeggen dat het totale aantal gestrafte Letten onder de 30
bleef”, voeg ik hier eerlijkheidshalve aan toe. “En zij die niet
gestraft werden? Zij die op een dag in augustus vrij kwamen, en die
later nooit meer in een kamp zouden zitten? Hoe is het met hen
gegaan? Zij waren toch in de meerderheid. De niet-gestraften. Was er
voor hen een andere straf dan de straf? Ze kwamen al spoedig tot de
ontdekking dat ze in een door de oorlog zwaar gehavend land gekomen
waren, dat daar een grote behoefte aan werkkrachten bestond en dat ze
niet werkeloos hoefden te zijn. Maar ze zouden ook ontdekken dat ook
hun vrijheid haar grenzen had, dat de sporen van de Zweedse tijd en
de jaren dat ze als legioensoldaten dienst gedaan hadden, niet zo
gemakkelijk uit te wissen waren. Ze ontdekten al gauw dat ze door de
overheid getolereerd werden, dat ze in vrijheid mochten leven en
werken, maar ook niet veel meer. De universiteiten waren voor hen
gesloten, er was geen mogelijkheid voor hen om een betere opleiding
te krijgen en opklimmen tot zelfstandige leidende functies was
feitelijk onmogelijk. Werken, dat mochten ze, ze kregen loon net als
de anderen, maar de echt gekwalificeerde posten bleven buiten hun
bereik. Ze vonden dat zij de negers van de sovjetmaatschappij waren,
die wel hun vrijheid hadden, maar tegelijkertijd binnen onzichtbare
muren gehouden werden. ‘Wij werden als tweederangsmensen beschouwd,
niet als anderen. Niet zo goede mensen als anderen. Niet zo
goede vaderlanders als de anderen. Wij kregen het slechtste
werk te doen, wij kregen niet de baantjes die het slechtst betaald
werden, maar baantjes die sociaal gezien niet begeerd werden en die
geen prestige verleenden. Iets slechtere woningen. Iets
langere wachttijden.’ De informaties hieromtrent zijn gebaseerd op
getuigenissen van velen, en men kan ze als volkomen waar beschouwen.
Deze periode heeft een begin en een eind. Ze eindigde met de dood van
Stalin: er kwam een totale en bijna ogenblikkelijke verandering.
Velen van de jongeren onder de uitgeleverde legioensoldaten begonnen
in dat jaar hun studie aan de universiteit. ‘Een week nadat we
bericht gekregen hadden dat Stalin dood was, heb ik een verzoek
ingediend om toegelaten te worden tot de universiteit. En nu ging het
opeens wél. Toen begreep ik dat er een verandering ingetreden was.’”
Een verandering die desondanks geen vrijheid betekende, want het
IJzeren Gordijn bleef slechts langs één kant mensendoorlatend.
Björn Roose