Behalve dat Duin (of Dune, zoals het in het Engels
heet) voor zover ik me kan herinneren het boek met de kortste titel
is dat ik ooit besprak, moet ik aan het begin van deze – vermoed ik
op dit moment – korte bespreking nog een paar dingen melden.
Ten eerste: ik heb noch Denis Villeuneuves Dune noch diens Dune:
Part Two gezien en heb ook geen neiging daarin verandering te
brengen. Niet omdat ik tegen het idee an sich ben, maar omdat
er ná Duin, achteraf vaak Duin – Eerste boek
genoemd, nog vijf sequels komen: Duin Messias, Kinderen
van Duin, God-Keizer op Duin, Ketters van Duin en
Duin Kapittel. Ik heb geen van die vervolgverhalen gelezen,
maar wie dit eerste boek gelezen heeft – eventueel met inbegrip van
de Aanhangsels over De ecologie van Duin, De
godsdienst van Duin, de beweegredenen en doelstellingen van de
Bene Gesserit, de bloemlezing uit de Edele Geslachten, en
Termen van het keizerrijk -, weet ook dat dat boek niet het
hele verhaal bevat. En als ik niet het hele verhaal gelezen heb, dan
wil ik de film niet zien, om de eenvoudige reden dat de film vaak, op
z’n zachtst gezegd, een ánder verhaal vertelt dan het boek en ik
mijn lezing van het boek (of in casu de boeken) niet wil laten
beïnvloeden door het zien van de film (in casu de films).
Ten tweede: ik laat voorlopig even de genoemde vervolgverhalen liggen
waar ze liggen. Onder andere omdat ik het derde boek op dit moment
nog niet in mijn bezit heb en niet van plan ben daar haast mee te
maken. De andere vijf boeken zijn ergens in 2015, dus een aantal
jaren vóór de hernieuwde hype (met behalve de reeds genoemde films
ook strips en videospelletjes) rond het verhaal begon, samen in mijn
bezit gekomen, dat ene boek zal er ook nog wel eens in komen. Voor u,
als lezer van boekbesprekingen, heeft dat alvast het voordeel dat u
niet overvoerd raakt met mijn vertelsels over deze zanderige verhalen.
Ten derde: ik heb géén plannen om, zelfs niet als ze toevallig op mijn
weg zouden komen, de boeken van Brian Herbert, zoon van Frank, te
kopen. Zoals ik ook al meegaf bij mijn bespreking van Reisdoel:
menselijk brein van Isaac Asimov heeft zoon Brian immers een imperiumpje opgebouwd op
de faam van zijn vader door samen met een andere
science-fictionschrijver, Kevin J. Anderson, eerst drie
prequels op diens Dune-serie te fabriceren, dan nóg eens drie
die veel eerder in de tijd gesitueerd zijn, dan nog eens een stuk of
zes boeken (ik ben de tel ergens kwijt geraakt) die zogezegd tussen
de verschillende boeken van zijn vader in te situeren zijn, en dan
opnieuw drie prequels, wat ‘s mans goed recht is, maar mij tot de –
mogelijk voorbarige – conclusie leidt dat de ‘commerce’ het al
lang overgenomen heeft van de kwaliteit. Ik volg in de stripwereld
ook wel een paar series die overgegaan zijn naar andere tekenaars
en/of andere scenaristen, maar ook daar haak ik van af als ik het sop
niet meer de kolen waard vind, en strips nemen minder plaats in
beslag dan boeken.
Ten slotte: ik lees wel eens vaker science fiction en kan, omdat
het toch een beetje een niche is, niet nalaten om het werk van de ene
te vergelijken of minstens in verband te brengen met het werk van de
andere. Ik noemde hierboven al Isaac Asimov, toch wel mijn favoriet
onder de science-fictionauteurs, wiens Foundation-trilogie ik eerder besprak, en vergelijken met zijn werk ligt eigenlijk voor
de hand. Tim O’Reilly, onder andere bekend van het bedenken van de
term ‘Web 2.0’, maar in 1981 ook schrijver van een
monografie over Frank Herbert (zijn eerste boek, trouwens) vond dat
in ieder geval óók. Hij zei dat Dune “duidelijk een
commentaar op de Foundation-trilogie” was, waarbij “Herbert
gekeken had naar dezelfde denkbeeldige situatie die Asimovs
klassieker uitlokte – de ondergang van een galactisch imperium”,
maar dan met “andere vooraannames” en “radicaal andere
conclusies”. “The twist he has introduced into Dune is
that the Mule, not the Foundation, is his hero”, voegt O’Reilly
daar nog aan toe, waarmee kenners van de Foundation-serie (of
zelfs alleen maar van de trilogie, want Asimov heeft zelf voor een
hele serie prequels en sequels op die trilogie gezorgd) zich meteen
een beeld kunnen vormen van het hoofdpersonage van dit eerste boek,
Paul Atreides. Een hoofdpersonage dat mij dan weer deed denken aan
bepaalde figuren uit Het veelkleurig land van Julian May (van
wie ik altijd gedacht heb dat het een man was, maar die bij
opzoekingswerk voor deze bespreking een vrouw bleek te zijn), ook al
een science-fictionserie (bestaande uit vier delen, maar
gevolgd door nog eens vijf onder een andere noemer), al was die
laatste (als ik me dat goed herinner, want het is vele jaren geleden
– van lang voor ik boekbesprekingen schreef – dat ik ze gelezen
heb) volgens mij duisterder qua inslag dan Duin.
Waarmee ik toch zo’n beetje de langste inleiding tot een vermoedelijk korte
boekbespreking ooit moet geschreven hebben. Wat niet erg is omdat ik
over de inhoud van dit boek nauwelijks ga uitweiden. Met enige moeite
zou ik die dan ook samen kunnen vatten als: ‘Hertog krijgt gebied
van keizer, maar keizer spant op de achtergrond samen met de
voormalige leenheer om hem dat gebied terug af te nemen, en slaagt
daar ook in. De zoon van de hertog lukt het echter om samen met zijn
moeder te ontsnappen, hij sluit zich aan bij een bende outlaws, en
kan samen met hen zijn wettig erfgoed terug veroveren.’ Een beetje
kort door de bocht uiteraard, maar het geeft toch aardig weer wat er
in die ietsje meer dan vijfhonderd bladzijden gebeurt en het wijst
ook op een duidelijk verschil met de verhalen van Asimov: hertogen en
tutti quanti zijn wel degelijk spelers in dit verhaal, en ze
gaan mekaar ook nog te lijf met zwaarden, pijlen, enzovoort. Wat niet
belet dat ze - als het “Gilde” dat toestaat - zich met
ruimteschepen verplaatsen van de ene planeet naar de andere,
zichzelf, voertuigen en gebouwen kunnen uitrusten met een soort van
elektronische schilden, machientjes hebben om, bijvoorbeeld, zichzelf
een beetje te helpen leviteren, en vrij massaal aan de drugs zijn
(het belang dat de keizer in de planeet Duin schept, is dan ook het
daar kunnen vinden van die drugs, specie genaamd). Een beetje een
eigenaardige mix dus, maar wel een die prima werkt.
Voeg daar de uit een halve bij mekaar gefantaseerde bibliotheek gehaalde
citaten van Prinses Irulan (dochter van de reeds genoemde keizer) aan
toe, mensen die met je gedachten kunnen knoeien, wat fraaie beelden
van de woestijn, monsterlijke wormen, een stam die een godsdienst
aanhangt die ergens het midden houdt tussen zen-boeddhisme en islam
(inclusief sharia en shaitan), en een stukje wetenschap over
ecologie-terravorming, en je hebt een werkzaam recept voor wat een
pracht van een avonturenverhaal kan worden en dat ook simpelweg is.
Bad guys zijn bij Frank Herbert echt bad, good guys
zijn niet echt good, de filosofie zit minder over het verhaal
verspreid dan bij elk van Asimovs verhalen het geval is (al was Frank
Herbert filosofisch zeker een interessant figuur en zijn er zelfs
critici te vinden die hem enig gedram op dat gebied verwijten), maar
als een regisseur iets aannemelijks weet te maken van de
gedachtenprocessen van de “mentats”, van Paul en van zijn moeder
Jessica (en het aannemelijk verfilmen van gedachtenprocessen lijkt
een van de moeilijkste zaken in de filmwereld), dan is alvast dit
eerste boek uit de serie met de moderne technische middelen (en
genoeg financiële middelen) perfect verfilmbaar (al kan het dan nog
steeds een gedrocht worden als de tv-serie rond de Foundation).
Een boek dat goed is voor een vele uren durende ontsnapping naar een
ander universum dus.
Björn Roose