vrijdag 16 januari 2026

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)
Over Paul Lebeau, de auteur van voorliggend werk, Xanthippe, kan u, en dat is niet met alle Vlaamse auteurs het geval, een en ander lezen op Wikipedia. Dat hij geboren werd in Borgerhout in 1908, bijvoorbeeld, en stierf in Brussel in 1982. Of dat hij in 1930 doctoreerde met een proefschrift Het dilettantisme in de Nederlandse literatuur, in 1931 een loopbaan in het onderwijs begon, in 1934 “met succes had deelgenomen aan een interuniversitaire wedstrijd” waardoor hij de kans kreeg verder te studeren, en dat hij “cursussen [volgde] in vergelijkende literatuurstudie te Parijs en Berlijn”. Of dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog “enkele artikels [publiceerde] in Volk en Staat, waarin hij sympathie uitdrukte voor de Nieuwe Orde”, “lezingen in collaborerende verenigingen [gaf]”, en “als gevolg [daarvan] (…) bij de Bevrijding korte tijd [werd] aangehouden”. Of dat hij “na de oorlog (…) redacteur van Dietsche Warande en Belfort en bestuurslid van Boekengilde De Clauwaert [was]”, “onder het pseudoniem van Lambert Stiers (…) toe[trad] (…) tot de redactie van het Vlaams-nationale, culturele maandblad Golfslag” en “In 1953 (…) de literaire kring De Tafelronde [stichtte] en (…) mederedacteur van het gelijknamige tijdschrift [was]”. Of dat hij “les [gaf] aan verschillende athenea, tot hij in 1958 werd aangesteld als docent aan de toenmalige Economische Hogeschool Sint-Aloysius en vanaf 1960 ook aan de Facultés Universitaires St.Louis”, functies die hij bleef “uitoefenen tot zijn pensionering in 1978”. Of dat hij “in 1970 (…) lid [werd] van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde als opvolger van Stijn Streuvels”. Maar ook dat hij “vooral [naam maakte] met zijn historische roman Xanthippe (1959), waar hij zijn vroegere productie ruimschoots overtrof, en waarvoor hij drie maal bekroond werd. In deze roman laat hij, met veel medegevoel en begrip, de beruchte echtgenote van Socrates haar levensverhaal vertellen”.

Van wat u hierboven las als ‘feiten’ – ook daarover is af en toe wat te vinden op Wikipedia – vindt u ook heel wat terug in het boek. Of toch in de versie die ik daarvan heb, de in 1969 door voormelde Boekengilde De Clauwaert (u ongetwijfeld ook bekend van talloze andere door mij besproken boeken) in de serie Caleidoscoop der Nederlandse Letteren uitgegeven versie. Die is namelijk voorzien van aantekeningen “door Dr. P. Govaerts & Dr. B.F. Van Vlierden” (van wie ik de volledige namen niet achterhaald heb), die ook gezorgd hebben voor een tweeëndertig bladzijden lange bijlage onder de titel Vragen en opgaven, wat er dan weer schijnt op te wijzen dat deze uitgave voor het onderwijs was bedoeld (niemand dacht er in die tijd aan Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur te geven en boeken lezen op en/of voor school was toen nog een serieuze bezigheid). Behalve die bijlage, in de titel niet voor niets voorzien van een Romeins cijfer VII, vinden we achteraan in het boek dan ook hoofdstukken over De auteur (I), De generatie van 1936-39 (II), De motieven van Paul Lebeau (III), een Bibliografie met A. Werk van Paul Lebeau, B. Andere literaire werken over Xanthippe, en C. Over Paul Lebeau (IV), Xanthippe, legende of historie? (V), en Wat schrijvers en critici denken over Xanthippe (VI), toevoegingen waardoor de toenmalige scholieren het zonder twijfel zónder Wikipedia konden doen én… zich niet lieten misleiden door diezelfde ‘online encyclopedie’. De schrijvers en critici van toen waren namelijk niét van oordeel dat Xanthippe een “historische roman” was. En daar hadden ze volkomen gelijk in. Al is het maar omdat, zoals het in V. Xanthippe, legende of historie? luidt, men “Van Xanthippe, Sokrates’ echtgenote, (…) bitter weinig en eigenlijk niets met zekerheid [weet]”: “Ze wordt vermeld door de twee grote antieke schrijvers, Platoon en Xenophoon, die ons veel over Sokrates meegedeeld hebben. Meermaals gebeurt het dat men de grootheid van een historische en stilaan legendarisch geworden figuur meent te moeten steunen op de bekrompenheid van haar omgeving. De grote wijsheid van Sokrates werd een absoluut begrip, en Xanthippe betaalde zijn roem met haar slechte naam. Allerhande legenden ontstonden rondom haar persoon, waarvan de waarheid niet te achterhalen valt en overigens dikwijls mag betwijfeld worden. De geest van de Griekse wijsbegeerte uit die tijd heeft deze strekking ongetwijfeld voedsel gegeven: zij koesterde een grote minachting voor de vrouw, en zelfs de liefde tot haar werd als minderwaardig beschouwd. Slechts als moeder vond ze daarin genade. Zo werd de naam ‘Xanthippe’ synoniem en symbool van alle vrouwelijke gebreken, vooral van domheid en kijfzucht.”

“Het is een van de grootste verdiensten van Paul Lebeau”, luidt het dan ook verder in datzelfde hoofdstuk, “dat hij de legendarische figuur van Xanthippe een volledig menselijke en psychologische verantwoording heeft geschonken, die terzelfder tijd een rechtvaardiging is geworden. Aan de vlakke en eenzijdige karikatuur heeft hij een dimensie toegevoegd: die van het leven zelf dat hij in zijn boeiende roman heeft opgeroepen.” Vandaar dat Albert Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort schreef: “Historische roman? De personen, de feiten en de milieuschildering zijn voor een deel historisch. Wie enigszins vertrouwd is met de klassieke oudheid zal worden bekoord door de fijnzinnige – en nergens pedante – schildering van het Griekse milieu in de eeuw van Perikles. Lebeau heeft er zelfs naar gestreefd, aan zijn roman een objectief waarheidskarakter, of liever de schijn daarvan, te geven door aan zijn stijl een klassieke allure te schenken. Beelden en taalwendingen roepen voortdurend klassieke herinneringen wakker. Toch zijn opzet en uitwerking van deze roman grotendeels subjektief-persoonlijk. Een groot deel van de handelingselementen en van de psychologische karakterinhoud van ‘Xanthippe’ is inventie van Lebeau. Het is hem ook niet om het vertellen van een antieke historie te doen. Hij wil integendeel een probleem, dat hem persoonlijk heeft getroffen, in een antiek verhaal vermommen zoals moderne auteurs vaak hebben gedaan (…)”.

De rest van de schrijvers en critici – Paul Hardy, Raymond Herreman, Feniks (van ‘t Pallieterke), Hubert Lampo, André Demedts, Bernard Kemp, Maria Rosseels, J. Snyders, H. Prijs, R. Van de Moortel, Urbain van de Voorde, en de “jury van de Literatuurprijsvraag der gemeente Hilvarenbeek 1960” –, of toch hun mening betreffende Lebeau’s Xanthippe, laat ik over aan wie dit boek in handen zou krijgen, maar sluit zeer nauw bij die van Westerlinck aan. Iets waar ik mee kan leven en wat ik niet as such ga herhalen. Ik voeg er liever een paar dingen aan toe. Deze Xanthippe is geschreven vanuit de positie van de hoofdpersoon zelf, die haar verhaal begint als een afscheidsbrief aan haar kinderen (en die van Socrates dus), een afscheidsbrief die ze opmaakt nadat ze al in den vleze – maar zonder dat de kinderen dat als dusdanig opgevat hebben – van hen afscheid genomen heeft en vóór dat ze zelf de gifbeker zal ledigen. Een afscheidsbrief die misschien – zoals de zelf nu ook niet meteen vlot schrijvende Hubert Lampo aangeeft – “ietwat stroef” begint, maar waardoor je als lezer al snel in de stijl van het verhaal zit en waar je na verloop van tijd, al helemaal als vanaf hoofdstuk II (niet te verwarren met bijlage II) het voortdurende letterlijk aanspreken van de kinderen vervalt, volkomen aan went: “Weent niet mijn zoons, nu gij deze rol uit mijn dode handen hebt losgemaakt, maar luistert naar mijn woorden. Ik heb de scheerlingbeker gedronken zoals destijds uw vader Sokrates. Want mijn taak is volbracht nu ook Menexenos gehuwd is en gij allen gelukkig woont in uw eigen huis. Ik ben niet heengegaan omdat gij mij verlaten hebt en nu een andere vrouw uw kleren weeft en uw maal bereidt. Ook niet omdat ik oud ben en mijn schoonheid sinds lang vervlogen weet als de rook van een uitgebrand vuur. En vooral niet omdat gij, mijn goede Hippobotos, die mij en de mijnen zoveel goeds gedaan hebt al die jaren, iets zou nagelaten hebben om mij gelukkig te maken. Maar zoals de slavin, die ‘s avonds de kinderen van haar meesteres heeft te ruste gelegd en even aan de deur van hun kamer luisteren wil naar de regelmaat van hun ademhaling, slechts het onrustig kloppen voelt van haar eigen hart om zich dan te spoeden naar de duistere boomgaard achter ‘t huis waar haar geliefde wacht, zo spoed ik mij, nu ik u bezorgd weet, naar de duistere Hades, want waar mijn man is daar hoor ook ik. (…) Immers dood ben ik al lang, want met Sokrates ben ik gestorven. Maar terwijl mijn ziel hem achterna wou, had hij mijn lichaam hier vastgepend met jullie zwakke armpjes. Ik kon niet, zoals hij, met een licht gemoed de kinderen overlaten aan hun lot. Zijn faam van deugdzaam burger was hem liever dan de zorg voor zijn gezin. Maar in deze stad, waar gewetenloosheid de zekerste waarborg lijkt voor de hoogste eer, bezit een vrouw geen recht en dus geen burgereer; en zelfs al had ze die, dan zou ik ze geestdriftig prijsgegeven hebben, als ik daardoor beter de toekomst van mijn kinderen kon beschutten.” Een uitgebreid citaat waarmee voor een niet onbelangrijk deel ook het karakter van Xanthippe is geschetst: in essentie wil ze haar man volgen, maar ze heeft haar verantwoordelijkheid genomen door dat niet te doen, en ze neemt hem kwalijk dat hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen heeft om zo niet voor haar dan toch voor haar kinderen te zorgen. Omdat hij zich drukker maakte, ook voor hij de gifbeker ledigde, over zijn principes dan over zijn naasten. Omdat hij wel met de fysieke gevolgen van z’n keuzes voor zichzelf kon leven, maar geen rekening wenste te houden met de fysieke en psychische gevolgen van z’n keuzes voor en met anderen. Een gedragswijze die niet specifiek was of is voor Socrates – zie de rol van Alcibiades in dit verhaal (en in de werkelijkheid) -, maar die ík in ieder geval moreel verwerpelijk vind, wat het me dan weer makkelijk maakte sympathie op te vatten voor de hoofdrolspeelster. Iets waarvan ik geloof dat het ook in de bedoeling van Lebeau lag, al heeft hij niet geprobeerd Xanthippe ‘beter’ af te schilderen dan de ‘gemiddelde’ vrouw, in tegendeel, hij heeft hier de verdediging van precies die ‘gemiddelde’ vrouw op zich genomen. Een ‘gemiddelde’ vrouw die perfect van haar vader kan houden tot bij zijn dood, van één man, van haar kinderen, en toch (en niet alleen daarom) niet wil beschouwd worden als quantité négligeable. Zoals een ‘gemiddelde’ man dus. “En daarom trouwde ik de enige man in Athene, die geen onderwerping eiste van zijn vrouw.”

Björn Roose

dinsdag 13 januari 2026

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)
Eerlijk is eerlijk, de naam Adriaan van Dis deed bij mij tot voor kort alleen belletjes afgaan in verband met tv-programma’s die ik nooit gezien had. Dat zijn gewoon de meeste tv-programma’s, voor alle duidelijkheid, maar Van Dis was dus, onder andere maar vooral, presentator van – hoe onverwacht – Hier is… Adriaan van Dis. Een van die vele programma’s die ik nooit gezien en nooit gemist heb.

In tegenstelling tot het feit dat hij ook schrijver was (of is, want zijn voorlopig laatste werk dateert uit 2024, al wordt hij volgend jaar tachtig) en wel al sinds 1983. Shame on me bijgevolg, maar voorliggend Op oorlogspad in Japan heeft me er in ieder geval van overtuigd dat ik behalve het daarnaast reeds in mijn boekenkasten staande Het beloofde land bij gelegenheid ook maar eens wat andere boeken van hem moet in huis halen, al zullen dat dan eerder Tikkop, Casablanca of In Afrika zijn dan Zilver of Dubbelliefde. De tweeledigheid van de auteur wat betreft zijn afkomst (half Nederlands-Indisch, half Nederlands) interesseert me immers beduidend meer dan de tweeledigheid van de auteur wat zijn seksuele smaak aangaat.

Op oorlogspad in Japan gaat dan ook niet over dat laatste, maar, om even kort door de bocht te gaan, over de ervaringen van zijn ouders met de Japanse overnemers van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij momenten is dat meer een kapstok dan het eigenlijke onderwerp, maar het werd klaarblijkelijk wel de rode draad doorheen Van Dis’ reis naar Japan in het voorjaar van 2000, een reis waartoe hij samen met een aantal andere Nederlandse schrijvers was uitgenodigd om op de Boekenbeurs in Tokio hun naar het Japans vertaalde boeken voor te stellen: “(…) ik zou een lezing houden ter ere van de nieuwe behuizing van het Japan-Nederland Instituut. Niet dat ik van het bestaan afwist – ik ben geen Japan-kenner – maar naast alle officiële sprekers verlangden de organisatoren naar een minder opgepoetste spreker. En waarom dan geen schrijver, ze liepen nu toch los. Ik was vrij in mijn onderwerp. ‘Niet over de oorlog,’ zei ik zonder dat me iets was gevraagd. Het opgeluchte ademhalen aan de andere kant van de lijn had een waarschuwing moeten zijn; eager to please als ik ben, had ik mezelf nog voor de eerste regel op schrift stond een verbod opgelegd en daarmee had ik meteen het onderwerp te pakken: ik zou het hebben over hoe verboden Japan voor mij was; en natuurlijk kwam dat allemaal door die stomme oorlog. Erg beleefd vond ik het niet tegenover mijn gastheren, en was het ook niet tamelijk bot om op de dag van de viering van vierhonderd jaar Japans-Nederlandse betrekkingen met een dieptepunt te beginnen? Maar een beetje oorlog moest – alleen aan het begin: ik had schaduw nodig om de contouren van mijn fascinatie voor Japan te kunnen schetsen.”

Met de tekst van genoemde toespraak, onder de titel Verboden land, begint dus dit boek. Waarmee die toespraak op zich weer de contour vormt van wat daarna volgt. Het hoofdstuk Moeder keurt de lezing in de eerste plaats. Moeder die denkt dat ze eventueel nog inspraak heeft, terwijl de lezing al lang en breed gedrukt is. Moeder die nog eens ondervraagd wordt door haar zoon (“Wie interviewt er nou zijn eigen negentigjarige moeder?”). Maar ook moeder die haar zegen geeft.

Waarna het enige nog resterende hoofdstuk volgt, Toeristenbrieven, naar de reisbrieven uit Azië die Louis Couperus schreef, al is dat hoofdstuk dan ingedeeld in een dozijn subhoofdstukken. Eentje met de titel Naar het uiterste oosten helemaal aan het begin, natuurlijk: “Couperus heeft me al lekker gemaakt… mooier dan de Betuwe zal het daar bloeien, de Japanse kersenboom draagt een grotere, vollere bloesem en heel het land zal in feeststemming zijn. Jarenlang knippen en manipuleren heeft van de bomen kunstwerken gemaakt – de smaak van kers is eraan opgeofferd: men viert de vorm, niet de vrucht.” En men wil die vorm proper houden, zo blijkt uit het daaropvolgende hoofdstuk Buigen en boenen: “Dichter bij Tokio bestudeer ik het ingehouden rijden. In colonne, zij aan zij, niemand die de aangegeven snelheid overschrijdt. Later, als ik uitgepakt en opgefrist de stad inga, verbaas ik me over het gedisciplineerde wachten voor de stoplichten, niet één die door rood loopt, ook als de weg vrij is. Ik voeg me in kaarsrechte rijen, neem de juiste kant van de trap – dalers links, stijgers rechts – en schuif aan achter de witte streep waar om de twee minuten de deur van een metrowagon zal openzoeven. Mijn ogen likken perrons zonder peuk en de glimmende gangpaden in de wagons. Reclameborden bungelen boven mijn hoofd, nergens een snor op de modellen, geen graffiti, junk of zwerver, geen penetrante geur tijdens het spitsuur; zweten de mensen hier niet, pist er dan niemand in zijn broek? Een paar haltes verder poetsen twee mannen de leuning van de roltrap, ze duwen met volle kracht een met alcohol bedwelmde doek tegen het voortdraaiende rubber. En daar staan er weer twee op een ladder, plastic wegwijsborden open te schroeven en dooie muggen uit te bezemen. Ik wil ook een Japanse poetser thuis (…) Ik verplaats me in een geboende stad en ik vind het héérlijk.”

Maar niet heus. Want in het daaropvolgende Vuile handen probeert hij er al achter te komen hoe hij achter de façade komt, een vraag die hij stelt aan Ian Buruma, jaren in Tokio woonachtig, spreker en lezer van de taal. Onder andere in hun voorliefde voor manga’s, klaarblijkelijk: “De stripblaadjes die jong en oud, man en vrouw, in de ondergrondse lezen. Dankzij mijn lengte las ik al menig verhaal over vreemde schouders mee. Je hoeft geen Japans te kennen om te begrijpen waar het over gaat. Schiet-, schop- en donderavonturen met veel seks. Op de Boekenbeurs liggen ze bij honderden uitgestald, want de uitgevers mogen dan deftig met westerse vertaalde literatuur flirten, het aanbod van plaatjes is groter dan dat van het woord. Ik zag al manga in automaten onderweg – op kleuterhoogte - maar in deze buurt, niet ver van Yoshiwara, de oude hoerenwijk, liggen ook de allerblootste varianten voor het grijpen, de ero-manga – het meest verkochte genre, gewoon bij de kruidenier, naast de rijstballen.”

Maar daar houdt de fysieke verkenning van de stad en het land wel zo’n beetje op (als je het avondje kijken naar “countertenor” – wat is er mis met ‘contratenor’?, vraag ik me dan af – Tomotaka Okomoto en het niet gerealiseerde bezoek aan het Yasukinischrijn niet meerekent). Volgen de schermutselingen op en rond de boekenbeurs. Schermutselingen met oude Japanners die de gebeurtenissen in Nederlands-Indië op een heel andere manier dan Van Dis’ vader en moeder of zelfs helemaal niet hebben gezien. Of toch hun best doen om die niet te hebben gezien. “Wat weet ik eigenlijk van die oorlog?”, vraagt Van Dis zich desalniettemin af. “Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen.” En aan de andere kant wat Ian Buruma hem zegt: “Stel je voor, je vocht voor een ideaal en de rest van je leven wordt je verteld dat het eigenlijk schandalig was. Die spanning knaagt!” En niet alleen voor Japanners, zou ik daar aan toevoegen, zó ver hoef je daarvoor niet te lopen. Ook al niet wat de uitgedeelde straffen betreft: “(…) een tweede luitenant kreeg”, aldus amateur-historicus Morohoshi, “levenslang – ‘omdat hij de administratie van zijn kamp verbrandde’; de ‘army doctor’ vijftien jaar – ‘een man die nooit een wapen had vastgehouden’. De luitenant-generaal die de verantwoordelijkheid droeg voor het bestuur op héél Sumatra werd ter dood veroordeeld – ‘opgehangen’. De hoogste commandant van Morohoshi’s eigen bataljon kreeg geen straf, een man onder hem levenslang. ‘Het was pure wraak. Er heeft geen enkel onderzoek plaatsgevonden. Waarom de een wel, de ander niet? De gestraften hebben als symbool gediend.’”

Björn Roose

vrijdag 2 januari 2026

Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)

Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)
Ik weet niet of het werkelijk zo is, maar op basis van het aantal boekjes dat ik van Frank Liedel in mijn boekenkasten heb (of had) staan, moet ik bijna afleiden dat hij een van de meest actieve schrijvers in de stal van De Clauwaert (v.z.w.) was. Na voorliggend Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua rest me nog slechts Kwadratuur, maar in de voorbije jaren besprak ik van hem ook al De krant uit Santa Fé, De late zaligheid van Mon De Cocker, Dover, en Schildpad, waarvan het eerste na lezing zelfs bleef staan in mijn boekenkasten, wat toch een absolute zeldzaamheid is wat de in de Novellenbibliotheek verschenen boekjes betreft.

Dat, het in mijn bibliotheek blijven staan na lezing, lijkt (ik behoud me het recht voor tijdens deze bespreking van gedacht te veranderen) ook het geval te gaan worden met Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua. Niet omdat dit veel beter geschreven is dan De late zaligheid van Mon De Cocker, Dover en Schildpad, want ook die boekjes waren goed geschreven, waarmee ik er maar op wil wijzen dat ‘goed geschreven’ niet het enige criterium is om een boek(je) in mijn boekenkasten te houden: enige originaliteit vanwege de schrijver en enige interesse in het verhaal van mijnentwege dragen daar evenzeer toe bij.

Wat die interesse in het verhaal betreft: Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua is het verhaal van een bedrogen geliefde en ligt daarmee niet bijzonder hoog in mijn interesseschuif. Maar… het is een post-mortemverhaal. Dat de geliefde bedrogen is, komt hij pas te weten na zijn dood, en wel door zijn vriendin te betrappen met zijn voormalige garagehouder. Als zoiets gebeurd was terwijl hij nog leefde, zou dit uiteraard gewoon een lullig verhaal geweest zijn, tenzij er moord en doodslag gevolgd was en dan nog, maar als na-de-doodervaring verteld, met een afstandelijkheid die ongetwijfeld alleen een dooie kan opbrengen, is het bijzonder.

Wat de originaliteit van het verhaal aangaat: die ligt niet alleen in het dood zijn van de ik-persoon, maar ook in de vorm waarin hij nog is. Liedel maakt daar niet domweg een spook van, maar een schim, met z’n schimmige moeilijkheden en voordelen. Onder die voordelen uiteraard het fenomeen dat hij niet zichtbaar is – al zou hij dat bij momenten wel eens willen -, onder die moeilijkheden zijn gebrek aan invloed op de gebeurtenissen en het zich verplaatsen door de wereld. Dat laatste is zelfs, zo meent hij helemaal in het begin, als hij met de deur in huis valt, “het enige probleem”: “En dat is merkwaardig, omdat je verwacht dat (…) [de voortbeweging] flitsend zou gebeuren, zoals het overspringen van een elektrische vonk op het schakelbord van onze Otis-lift. Wij bewegen ons integendeel voort als slappe kinderballons in een lange gang nagenoeg zonder tocht, amper een zuchtje door het sleutelgat van de deur naar de andere kamer”. Een probleem dat al snel opgelost raakt een keer hij er achter komt dat hij ook kan meeliften met een bewegend voorwerp of persoon door zich daarrond te gaan draaien. Waarbij dat voorwerp of die persoon nog wel de goede richting uit moeten gaan natuurlijk, iets wat hem, als hij niet te vaak zomaar wil blijven rondhangen, op zijn voorgenomen reis richting het uitgebrande wrak van zijn auto in Aurillac (Frankrijk, ter hoogte van links Bordeaux en rechts Turijn) het ongenode gezelschap doet worden van een trio Zweden, in het bijzonder ene Shirly. Een gelegenheid waarbij hij niet alleen enige genegenheid opvat voor genoemde Shirly, maar er ook achterkomt dat hij wel degelijk een zekere invloed kan uitoefenen: Shirly is vatbaar voor zijn influisteringen en Shirly zorgt er uiteindelijk ook voor dat er vanuit het departement Cantal afgereisd wordt naar Antwerpen. Taxi Shirly dus en later nog wat meer ook (dat leest u zelf maar), maar ook in het algemeen zijn de voortbewegings- en beïnvloedingsavonturen van die aard dat ze dit boekje het lezen waard en bij momenten zelfs zeer grappig maken zelfs al ware het doel van de hoofdpersoon (of hoofdschim, want er zijn er ook nog wel andere, al treden die niet in de eerste persoon, euh, schim, op) niet dat wrak en naderhand zijn (voormalig) lief geweest. Passages als deze mogen daarvan getuigen: “Mijn hele leven lang ben ik bang geweest van honden, en zeker van paarden. Dergelijke gevoelens bestaan natuurlijk niet meer. Soms kies ik een hond als bewegende gastheer en éénmaal heb ik me gevloeid om de kop van een paard dat bereden werd door een rijkswachter, voor de eerste maal op weg naar een universiteit.” Of: “In de patio neem ik een vrouw en op straat een postbode.”

Zonder te veel weg te geven over het verloop van het verhaal – met een exemplaar van nog geen vijftig bladzijden is dat nu eenmaal snel gebeurd -, wil ik het wel, en ten slotte, nog even hebben over de titel ervan. De fysieke verklaring ervoor komt op pagina vierendertig, als de ik-schim terug in Antwerpen is, meer bepaald in zijn eigen huis, of toch zijn voormalige huis, waar zijn vriendin Minka nog steeds woont: “Vermits ik het voornemen heb me hier definitief te nestelen, kies ik met overleg een plaats. In de nis boven de open haard vloei ik me om de hand van Sint-Antonius van Padua en begin te verblijven.” Dat van die hand herhaalt hij ook nog verschillende keren, zonder er evenwel ooit bij te vertellen dat het de linkerhand is. Een ‘detail’ dat hij alleen in de titel toevoegde dus. Terwijl het al intrigerend is dat hij over die hand blijft doorgaan. Dat die dus belangrijk is als verblijfplaats. Terwijl er toch verder niks mee gebeurt. Voor jonge of minder met de heilige Sint-Antonius bekende lezers dus een raadsel; voor iemand die vroeger zijn snoep ging kopen in een winkel naast een kapelletje gewijd aan Toontje, zoals hij in onze streek genoemd werd, al een stuk minder: Sint-Antonius is namelijk niet alleen de patroonheilige van de franciscanen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden, tegen schipbreuk, de pest en koorts, maar ook – en dat is waarom hij het vaakst wordt aangeroepen in katholieke kringen – degene die je kan helpen verloren voorwerpen terug te vinden. Ook in dit geval dus, maar met de pech dat dat verloren voorwerp niet helemaal blijkt te zijn wat de ik-persoon er van verwacht had. De heilige heeft hem dus een handje geholpen, maar slechts een linkerhandje.

Björn Roose

maandag 29 december 2025

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)
Het is nog niet eens zo lang geleden – iets meer dan een jaar – dat ik het enige andere boek besprak dat ik van Jos Vandeloo in mijn boekenkasten staan had (en ook na lezing nog steeds heb): Het gevaar. Zoals ik bij die gelegenheid aangaf, was het de tweede keer dat ik dat boek las (de eerste keer was in mijn middelbare-schooltijd, toen ik er een open-boekexamen over moest afleggen), maar voor zover ik me kan herinneren, is dat niet het geval met voorliggend De vijand. Dat is nochtans, aldus de flaptekst, “zonder twijfel een der mooiste en beste verhalen van Jos Vandeloo”, maar Wikipedia staat er op dat behalve Het gevaar vooral De muur en Het huis der onbekenden Vandeloo’s “bekendste werken” waren, dus misschien staat “mooiste en beste” niet in rechtstreeks verband met “bekendste”. Wat best kan zijn en niet verhindert wat verder op de achterflap gezegd wordt: “Nadat dit verhaal in de gelijknamige bundel verscheen, die spoedig uitverkocht was, herschreef de auteur de tekst in zijn huidige en definitieve vorm”.

“Herschreef” en ‘breidde uit’ zou dat volgens de al genoemde online ‘encyclopedie’ dan weer moeten wezen, maar alla, laat ons het over het boek met de tegenwoordig weer op veler lippen bestorven terminologie als titel hebben, De vijand. Niet de Russen, maar de Duitsers werden in de tijd waarin het verhaal speelt, de Tweede Wereldoorlog, en in onze contreien nog aldus aangeduid (nu worden de Duitsers geacht onze beste vrienden te zijn), al is net dát, die eenzijdige alomvattendheid van dat etiket, het thema van dit een goeie honderd bladzijden dikke boekje: “‘De vijand’ speelt aan het einde van de oorlog in een dorp bij het Belgisch-Nederlands grensgebied, dat beurtelings door de Duitsers en de Amerikanen wordt bezet en weer heroverd. De hoofdfiguur is een vijftienjarige jongen, die door de oorlog als het ware tussen hamer en aambeeld wordt geplet.”

“(…) tussen hamer en aambeeld”, inderdaad, waarmee meteen wordt aangegeven dat De vijand aan beide kanten kan zitten. Ook aan de Amerikaanse kant, al moet je op dat ‘nieuws’ wachten tot halverwege het boek. Daar, in het laatste hoofdstuk gewijd aan de vier Amerikanen die al vijf weken in een wei nabij het dorp kamperen, ziet het vijftienjarige hoofdpersonage hoe Bea, “een lief meisje met een witrond gezicht en donkere haren, donkerrood eigenlijk”, “even oud als ik, ook vijftien”, waarmee hij is opgegroeid, en waarop hij voorheen verliefd is geworden, het veldbed ingelokt is door een van die Amerikanen. In een van die op het internet circulerende boekbesprekingen las ik dat ze “verkracht” werd, maar daarvan is voor zover ik nog kan lezen geen sprake: “Ik ga naar de tent en trek het zeil opzij voor de ingang. Het is er donker. Een klad licht valt naar binnen en ik hoor Karl ontstemd vloeken. Ik zie het meisje Bea op het veldbed. Haar schoenen liggen op de grond. Er liggen ook nog andere kledingstukken. De regenjas van haar moeder en de kap en nog meer. Haar rok is opgeschort. Ze heeft een heel witte huid. Karl hangt gebogen over haar heen met zijn mager, ongezond lichaam. Haar buik is een zeldzame witte schelp, hij moet zeer zacht zijn, van fluweel. En hij is vooral zeer blank. Een glanzende vlek in het halve duister. Karl maakt een boos gebaar omdat ik zo plots en onverwacht in de opening van de tent sta. Bea wendt het hoofd af. Ik laat het zeil voor de opening vallen. Het is een bliksemschicht geweest, een weerlicht, één ondeelbaar ogenblik. De onsplitsbare kern van de tijd. Nu is het binnen weer donker. Ik heb nog net gezien hoe Karl op haar neerstreek. Behoedzaam en geruisloos als een grote vogel.”

“Maar wie is tenslotte de vijand?”, vraagt de verteller zich op het einde van dat hoofdstuk af. “Iedereen is de vijand en niemand is de vijand. Ik geloof dat vrienden en vijanden aan dezelfde tafel zitten, soms op dezelfde stoel. Misschien zijn wij onze eigen vijand?”

Waarna de helft van het boek komt die aan de Duitse vijand is gewijd. Niet omdat die Duitse vijand de kamperende Amerikanen verjaagt, maar omdat Vandeloo daar een zeer verwarrende kunstgreep heeft uitgehaald, een kunstgreep waarbij geen enkele uitleg voorzien is: de verteller maakt een sprong naar de weken vóór de Amerikanen hun kampement opsloegen, de weken waarin, zoals op de achterflap aangegeven is, de ene keer de Duitsers het terrein beheersten, de andere keer de Amerikanen. Waaróm Vandeloo zo gewerkt heeft, is me in alle eerlijkheid ontgaan. En of die kunstgreep meteen in het verhaal zat of niet, weet ik niet. Resultaat is in ieder geval dat de conclusie die het hoofdpersonage trekt halverwege het boek staat en de lezer hoe dan ook de boodschap meekrijgt dat wat de Duitsers in dat tweede deel doen érger is dan wat die Amerikaan in het eerste deel doet. Wetende dat het tweede deel eindigt met de voorgenomen executie van een aantal mannen, waaronder de vader van het hoofdpersonage, valt daar ook wel iets voor te zeggen, natuurlijk, maar je krijgt de indruk dat Vandeloo de impact van het tweede deel niet wou afzwakken door er chronologisch correct het eerste deel achter te plakken. “Het boek zit vol van innerlijke spanning”, heet het dan op de achterflap, maar misschien was dat een beetje te veel spanning. Of te veel evenwicht, want het grootste part van het tweede deel gaat eigenlijk net over een Duitser die de dorpelingen niet echt als vijand kunnen beschouwen, een soldaat die, in zijn buik geschoten, ligt te creperen, een soldaat die ze wegens de omstandigheden niet kunnen verzorgen terwijl ze dat als mensen wel zouden wíllen, een soldaat die je ook zonder dat hij kansloos lag te lijden niet zomaar als vijand kon beschouwen: “We zaten in een niemandsland. Het was een situatie waar niemand iets van begreep. Door de zakken voor de ingang van de schuilkelder even opzij te trekken, kon ik soms een glimp opvangen van gebogen lopende soldaten, maar je kon bijna nooit zeggen of het vrienden of vijanden waren. Wat ik wel kon zien, was de angst die ze allemaal hadden. Ze waren bang, doodsbenauwd, je kon ze zelfs zien zweten. Ze waren allemaal vreselijk bang voor de dood en misschien nog veel meer voor de verwondingen of verminkingen en de daarbij horende pijn. Ze zagen er niet als helden uit, aan geen van beide kanten. Het waren kleine, angstige mensen die vooruit of achteruit moesten en hun best deden om het er levend af te brengen.”

Misschien is dat wel wat je moet onthouden over ‘de vijand’. En moet je de warrige structuur van het boek er maar bij nemen.

Björn Roose

vrijdag 26 december 2025

Heilige Familie in Nazareth – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)

Heilige Familie in Nazareth – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)
Met deze Heilige Familie in Nazareth, ondertitel Over Diego Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als Hollywood aan de Schelde, van Katharina Van Cauteren is de Phoebus Focus serie reeds aan haar vijfendertigste deel toe. Is, of beter was, want dit werk verscheen in 2023, en wel als dikste deel in die serie tot op dat moment (op de verdere delen heb ik voorlopig nog geen zicht). Met z’n honderdtweeënnegentig bladzijden mag het zowaar een boek genoemd worden in plaats van een boekje, en overtreft het nog met veertig bladzijden de vorige bijdrage van Van Cauteren aan de serie, Suzanna en de Ouderlingen (nummer XXX), ook al geen dun dingetje in vergelijking met de standaard in de serie, terwijl het meer dan dubbel zo dik is als de eersteling van Van Cauteren in dezelfde serie (nummer V) Het meermonster van Tagua Tagua.

Al heeft het met dat meermonster en die Suzanna wel gemeen dat het, omdat Van Cauteren, vaste inleider van de serie, kennelijk moeilijk zichzelf kan inleiden, van een Voorwoord van de hand van Paul Huvenne, ere-directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, voorzien is. Wat dan weer tot gevolg heeft dat ik minder geneigd ben om te citeren uit dat Voorwoord, want niet iedereen is zo’n begenadigde inleider als Van Cauteren (zie daarvoor mijn besprekingen van de vorige vierendertig edities). Desalniettemin dit: “Grote verzamelingen met Latijns-Amerikaanse kunst zijn, zeker buiten Spanje, schaars in Europa, en nog schaarser wanneer het gaat om schilderijen en sculpturen uit de koloniale tijd. The Phoebus Foundation had van meet af aan een bijzondere belangstelling voor Latijns-Amerikaanse kunst van de twintigste eeuw. Recent werd onder supervisie van dr. Katharina Van Cauteren ook een volledige collectieniche uitgebouwd rond de periode van de onderkoninkrijken. Het is een kweektuin waarin ik Katharina graag zie tuinieren, om haar visie en bevlogen aanpak, en, bovenal: omdat zij hierin als geen ander de synergie onderkent tussen de Antwerpse beeldtaal en de lokale tradities.”

Een béétje Antwerps chauvinisme is er inderdaad altijd wel bij, daar bij The Phoebus Foundation, en dat is inzake het werk van Diego Quispe Tito ook geoorloofd, zelfs al kwam die vanuit zijn geboorte- en sterfplaats San Sebastián del Cuzco nooit naar de stad aan de Scheldemonding afgezakt en begint Van Cauteren haar verhaal met foto’s van een half afgebrande kerk in datzelfde San Sebastián: “16 september 2016. In de kerk van San Sebastián, een buitenwijk van de Peruviaanse stad Cuzco, raakt de ene elektrische draad de andere. Achteraf zal iedereen zich afvragen hoe dat kon gebeuren. Tussen 2008 en 2013 onderging de kerk nog een miljoenenrestauratie. En toch gaat het fout. Werden de leidingen nonchalant geïnstalleerd? Vergat de koster de koffiezet uit te schakelen en raakte die oververhit? (De koffiezet, niet de koster.) Of knaagde een Andesmuis hongerig aan de kabels? Hoe het ook zij: ergens begint iets te smeulen. Om drie uur ‘s nachts wordt pastoor Genaro uit zijn bed getrommeld. Een gemeentelijke bewaker heeft rook gezien, veel rook. Waar rook is, is vuur. De pastoor is meteen klaarwakker. In zijn huis van God ziet hij de hel: het hoofdaltaar staat al in lichterlaaie.” Katharina Van Cauteren , geboren in 1981, “stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation”, mag dan al – zie de achterflap – “doctor in de kunstwetenschappen” zijn, ze schrijft ook vlot en zit in haar teksten nooit verlegen om een grap. Ze behoort dus tot die generatie van (kunst)historici die beseffen dat wat je aan het publiek voert niet noodzakelijk gortdroog moet zijn. Iets wat dat publiek, of toch minstens dat minieme deeltje daarvan dat ik als ik wens aan te duiden, weet te waarderen. Iets wat ook geenszins de kwaliteit van het aldus doorgegevene in de weg gaat zitten. Als Van Cauteren het in een van die voor de publicaties in deze serie typische tussenkadertjes in haar titel heeft over De toxic masculinity van de gebroeders Pizarro laat ze ook duidelijk zien dat ze die terminologie niet gebruikt in de zin die er vandaag de dag maar al te vaak aan gegeven wordt: “Te bedenken dat Atahualpa [de god-keizer van de Inca’s, noot van mij] zijn halfzus nog cadeau had gedaan aan Francisco Pizarro. Ze baart hem een zoon en een dochter, die later zal trouwen met Francisco’s halfbroer Hernando. Zelf ziet Francisco nog meer prestige in een alliantie met de piepjonge weduwe van de Incakeizer. Van Cuxirimay Ocllo Yupanqui wordt ze herdoopt tot Doña Angelina – dat bekt makkelijker voor een Spanjaard -, en ze schenkt Pizarro nog twee zonen. Intussen legt broer Gonzalo het aan met de titelvoerende Incakeizerin, die hij ontvoert, verkracht en uiteindelijk gruwelijk om het leven laat brengen. Voor wie zich ooit afvraagt wat toxic masculinity is: denk Pizarro.” Toch heel wat anders dan een portie ongevraagde mansplainingnietwaar?

Maar om terug te komen op dat Antwerps chauvinisme: hoe geraak je van de Spaanse kolonie in Antwerpen? Awel, via de gebroeders Hiëronymus en Johannes Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere zoon van Anton (II) “die een stempel zullen drukken op de kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2 333 prenten”. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige invloed zouden gaan uitoefenen: “In het Incarijk alleen al wordt er gepraat, gegrapt, geruzied en onderhandeld in meer dan zevenhonderd talen die geen Europeaan ooit hoorde. Daar is een bijbelvertaler wel even zoet mee. Maar wacht! Zelfs zevenhonderd vertalers brengen in deze amper zoden aan de dijk, want de indios zijn niet geletterd: hun cultuur is oraal, niet literair. Als ze al iets noteren, doen ze dat niet met letters of woorden, maar met mysterieuze knoopjes in bontgekleurde touwen: de zogenaamde ‘quipu’s’. Gelukkig is de taal van het beeld universeel. Ongedoopte zieltjes bekeren zich bij de vleet bij het zien van de gruwelscènes van het Laatste Oordeel. In de Rhetorica christiana (1579) van de Mexicaanse broeder Diego Valadés is te zien hoe een franciscaan vanaf de preekstoel wijst naar schilderijen met de Passie en de Verrijzenis van Christus. Zo wordt het katholieke geloof de indianen letterlijk ingeprent.” En zo beginnen kunstenaars van hier ook naar daar te trekken, terwijl kunstenaars van daar die van hier beginnen te kopiëren, imiteren, aan te vullen. Kunstenaars van daar, waaronder Don Diego Quispe Tito, inga. Die is meer dan geletterd genoeg om op zijn schilderijen toe te voegen dat hij ze ‘inbenit’ heeft, maar vertaalt toch maar al te vaak “Europese modes naar een Andespubliek”.

Zoals ook andere Europese gewoontes overgeplaatst werden naar Zuid-Amerika. De gilden, bijvoorbeeld: “In Lima is er al een timmermansgilde in 1549, in Santiago de Chili in 1555, en Mexico-Stad volgt in 1557.” Wat dan misschien weer verklaart waarom het schilderij dat in deze Phoebus Focus specifiek besproken wordt, een schilderij waarvan een deel op de cover van dit boek staat, samen met andere in dat thema, “de timmerende Jozef”, “een heus succesnummer” was: houtbewerking bestond in de Andes amper vóór de Europese ongenode gasten aankwamen. “Nooit eerder heeft hij zoveel gezaagd en geschaafd”, schrijft Van Cauteren, “in zijn werkplaats en daarbuiten. En op andere voorstellingen [bijvoorbeeld een exemplaar toegeschreven aan Baltasar de Echave Orio, Christuskind met passie-instrumenten, dat op pagina 123 van dit boek staat, noot van mij] draagt of aanbidt Jezus, de jonge timmerman, het kruis dat hij duidelijk eerst zelf in elkaar zette”. Plus het alaam waarmee hij dat gedaan heeft dus.

Wat Maria op het schilderij van Diego Quispe Tito óók doet: “Want terwijl Jozef in Amerika een nieuwe technologie importeerde uit de oude wereld, wordt de handwerkende Maria toepasselijk naadloos vastgehaakt [let op die schitterende woordspeling, noot van mij] aan een zeer solide, en ook nog eens zeer hoog geachte traditie. Want spinnen, weven, naaien en alles wat daarbij hoort: dat kunnen de Andesvrouwen als geen ander. Ze hebben de techniek naar eigen zeggen geleerd van Mama Ocllo, de zus/vrouw van Cuzco-stichter Manco Capac en daarmee de oermoeder van de Inca-adel. Zij wist al dat spinnen en weven orde brengen in de chaos van de wereld – plukken wol worden draad, draad wordt een weefsel, niets wordt iets. Handwerken, dat is het overdoen van de schepping op microschaal.”

En net – als we de toevoeging van twee moeilijk te definiëren vogels even niet meetellen - in de weergave van het aldus geschapene wijkt Diego Quispe Tito aanzienlijk af van de ets van Hiëronymus Wierix, Jezus helpt Sint-Jozef bij het zagen terwijl Maria spint, waarnaar hij zijn van zo’n vijfenzeventig jaar later daterende Heilige Familie in Nazareth gekonterfeit heeft: “Aan de grijze wereld van Hiëronymus Wierix geeft hij kleur. En niet zo’n beetje. Bij het delicate, van blauwgroene naar blauwgrijze tinten verglijdende berglandschap kan menige noordelijke landschapsschilder enkel goedkeurend staan knikken. De subtiele weergave van de struiken, de nuances in de rotsen: hier is een kunstenaar aan het werk die weet wat bergen zijn. Maar de met toefjes struikgewas begroeide heuvels vormen slechts de fond, want vooraan stelen de sprankelende kleuren de show. Knallend karmozijn en azuurblauw echoën de tijd dat dieprood nog de kleur was van de Incakeizer en zijn familie, en blauw die van de hemel waar de oude goden woonden. Voeg daar goud aan toe, stralend als de zon, en dus de passende kleur voor – andermaal - de Incaheerser als god op aarde. Goud is dus wat ook de nieuwe goddelijke familie nodig heeft. Veel goud. Goud op rokken, broeken en tunieken. Goud, zoals dat in de zeventiende eeuw ook daadwerkelijk wordt ingewerkt in de klederdracht.” “Quispe Tito’s brocateado-techniek blijkt ook figuurlijk een gouden formule. Plots wil zowat heel Cuzco een schilderij met bling. En dus halen kunstenaars over de hele stad hun Midas touch uit de kast. Ze plakken zo enthousiast bladgoud op hun taferelen dat je tot vandaag in een oogopslag ziet: ha, dit werk is gemaakt in het Cuzco van de late zeventiende of vroege achttiende eeuw.”

U merkt het, ik vond dit boek van Katharina Van Cauteren meer dan interessant, maar ik kan u helaas geen inkijkje geven in wat niét tekstueel is: de talloze illustraties. Het schilderij en details daaruit van Diego Quispe Tito, uiteraard, maar ook andere schilderijen van hem en, bijvoorbeeld, werken van Pedro de Vargas, eerdergenoemde Diego Valadés, Jan Van Somer, Guillam I Forchoudt, Simon Pereyns, Diego de la Puente, Gregorio Gamarra, Angelino Medoro, Albrecht Dürer, Alonso López de Herrera, Felipe Guaman Poma de Ayala, Juan de las Roelas, Jacob II De Gheyn, Ignacio Chacón, de familie Wierix (waarvan een hele resem etsen is opgenomen), en een massa ‘onbekende meesters’ die desalniettemin bezienswaardig werk hebben afgeleverd.

“Sommige stukken van deze editie van Phoebus Focus voelden als een thuismatch. Ah, natuurlijk was Antwerpen in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw het artistieke centrum van de wereld. (In Antwerpen denken ze dat dat nog steeds zo is, en niet enkel artistiek.) En wat is het gezellig dollen met Theresia van Ávila [over wie ik het in deze boekbespreking weliswaar niét gehad heb, noot van mij]. Maar hoe”, vraagt Van Cauteren zich af, “schrijf je in deze tijden van culturele appropriatie en koloniale mea culpa’s nog zonder dichtgeknepen billen over kunst die voortkomt uit een beladen bladzijde in de Europese geschiedenis? Mag een Vlaamse kunsthistorica überhaupt nog iets zeggen over een schilderij dat is gemaakt door een kunstenaar die met een voet in de Incatradities stond? Of is het motto ‘eigen kunst eerst’ en moet je het terrein laten aan onderzoekers uit Latijns-Amerika?” Ik onthoud u het antwoord van de schrijfster – u moet het boek zelf maar lezen -, maar antwoord daarop alvast in omgekeerde volgorde met: nee, ja, en – al zijn er ongetwijfeld nog andere mogelijkheden – zoals Katharina Van Cauteren.

Björn Roose


maandag 22 december 2025

Stijloefeningen – Raymond Queneau (boekbespreking door Björn Roose)

Stijloefeningen – Raymond Queneau (boekbespreking door Björn Roose)
“Het deed me denken aan een misvatting die ik hier en daar in onze geesteswereld heb ontmoet”, schreef Gaston Durnez in het stukje Voorwoord, opgenomen in de bundel Sun Corner Bar die ik een tijdje geleden besprak, “en die hierop neerkomt, dat je een boek waar je een voorwoord voor schrijft ook gelezen moet hebben!” Durnez bedoelde dat uiteraard ironisch, maar soms is het zelfs erger dan dat. Soms moet je van een boek alleen maar het voorwoord lezen en je van de rest onthouden.

Zulks is het geval met voorliggend Stijloefeningen van Raymond Queneau, met eenendertig jaar vertraging vertaald van het Frans (de taal waarin het bij Gallimard verscheen in 1947) naar het Nederlands (de taal waarin het bij BBLiterair werd uitgegeven in 1978), al is het mogelijk dat het voorwoord, hier Inleiding genoemd, pas in de vierde druk, uitgegeven bij De Bezige Bij in 1992, door de vertaler, Rudy Kousbroek, werd toegevoegd, want een eerdere druk van dit werkje heb ik niet in handen. ‘In handen’ zijnde gelukkig een toestand waarvoor ik niet moeten betalen heb, want ik leende het honderdzestig bladzijden dikke ding (d.w.z. het dozijn lege exemplaren aan het einde meegerekend) uit de openbare bibliotheek. Omdat het mij wel lollig leek. Toch op basis van de flaptekst: “Queneau zelf schreef in 1947 aan zijn uitgever het volgende pleidooi voor Stijloefeningen: ‘In zijn nieuwe roman, met de hem eigen virtuositeit gewrocht, heeft de beroemde romancier X, aan wie wij al zo veel meesterwerken te danken hebben, ernaar gestreefd de lezer slechts te confronteren met scherp getekende personages, wier handelingen plaatsvinden in een atmosfeer die voor ieder, groot en klein, begrijpelijk is. De intrige nu draait rond de ontmoeting, in een tram, van de held van deze geschiedenis met een tamelijk raadselachtig persoon, die ruzie maakt met de eerste de beste. In de slotepisode zien we hoe dit mysterieuze individu uiterst aandachtig staat te luisteren naar de adviezen van een vriend, meester in het dandyisme. Het geheel geeft een charmante indruk, die de romancier X op zeldzaam gelukkige wijze heeft geciseleerd.”

Als u dacht dat dat als onzin klonk: dat dacht ik eveneens en daarom las ik de rest van de achterflap óók: “Stijloefeningen bestaat uit 99 variaties op die ene gebeurtenis in de tram. ‘Een volstrekt zinloze en onmiskenbaar Queneau-achtige geschiedenis,’ schrijft Rudy Kousbroek in zijn inleiding, waarin hij over Queneau de loftrompet steekt. ‘Soms, vooral wanneer ik weer een of ander nieuw aspect aan hem heb ontdekt, word ik overvallen door de gedachte dat Queneau de incarnatie is van de ideale Schrijver, degene die ‘alles heeft’, die alle gewenste eigenschappen in zich verenigt. In de eerste plaats gevoel voor humor. (…) Queneau’s humor is oorspronkelijk en verrassend – vrolijk als Rabelais maar tegelijk droog en verlegen, herinnerend aan Laurence Sterne of Stan Laurel. (…) De betekenis van Queneau voor de Franse literatuur is groot en vergelijkbaar met die van Céline.”

De waarschuwing van Durnez niét indachtig – de vertaler heeft per slot van rekening het boek wel degelijk gelezen en weet bijgevolg waarover hij het heeft als hij het de hemel in prijst – zette ik me dus aan het lezen. Van die Inleiding waarin Kousbroek “over Queneau de loftrompet steekt” en van de verdere inhoud. Een verdere inhoud waarvan ik me op basis van de Inleiding nog meer voorstelde dan ik me er al van voorstelde op basis van die “99 variaties op die ene gebeurtenis in de tram”. Wat ik vooral niet had moeten doen. Okee, de Flaptekst-variatie was heel erg flapteksterig, de Alexandrijnen waren lollig, de Plat-versie kon niet platter, het laatste bedrijf van het Blijspel maakte het ding helemaal af, Spookachtig deed me sterk denken aan Louis Couperus, Aanroep was een echte aanroeping, Verzamelingen bewees dat Queneau behalve letterkundige inderdaad ook wiskundige was, de Anglicismen, Germanismen en het Afrikaans waren verstaanbaar, maar voor de rest zijn de teksten, en heus niet alleen de laatste onder die titel, zo Gekunsteld dat ze ofwel volkomen onleesbaar waren of al van bij de tweede regel vervelend werden of op de zenuwen gingen werken.

Ja, “Middag werd geweest” aan het begin van Lijdende vorm is grappig, maar daarna is het wel zo’n beetje voorbij met die lol. Ja, tussenwerpsels als “te gek”, “dus” of “kelere” hebben twee zinnetjes lang een enigszins op de lachspieren werkend effect, maar als ze daarna nog gebruikt worden, krijg ik er de wubbekes van. Ja, “(…) daarna liet hij zijn kastanjes in het vuur liggen en hij pootte zich ergens anders neer” klinkt aardig Plantaardig, maar meer hoeft ook weer niet. En ja, “gepakt als sardines / gepakt als sardon / sardon in een tines / sardien in een ton” of “als deze beschrijving / als deze beschon / uw volste accoord heeft / uw accordeon” klinkt goed, maar drieënhalve bladzijde op elke tweede regel een woord dat eindigt op -on is niet gewoon on-zin, maar overbodig.

En dan heb ik het alleen nog maar over een aantal teksten gehad waar je nog wat in herkent en die je bijgevolg al dan niet humoristisch kan vinden (de meeste van die teksten heb ik niet genoemd omdat ze hoogstens slaapverwekkend waren). Variaties als Aphaeresis, Apocope, Syncope, Permutaties met een groeiend aantal letters, Permutaties met een groeiend aantal woorden, Prosthetis, Epenthesis, Paragoge, Methathesis, Kedietje vedielen, A met een aba, Antistrofen, en Tussenwerpsels zijn echter noch humoristisch noch saai, maar alleen letterlijk onleesbaar, en zouden op zijn best één zinnetje lang kunnen dienen als voorbeeld voor de taalkundige afwijking waar ze voor staan.

Dan is die onbewuste taalfout die Kousbroek maakte in Vooringenomen toch veel grappiger: “Na idioot lang te hebben moeten wachten kwam de tram eindelijk de hoek om en remde af bij de halte.” Een taalfout die je anderzijds doet hopen dat het bedroevend lage niveau aan humor van dit boek ligt aan het vertaalwerk. “Al met al”, schrijft Kousbroek immers in zijn Inleiding, “blijft het vertalen van Exercices de Style een onmogelijke opgave”. Met alle begrip dat ik kan opbrengen voor de problemen die hij noemt en die inderdaad niet denkbeeldig zijn, zou ik in ieder geval zeggen dat hij geen moeite had moeten doen.

Björn Roose

vrijdag 19 december 2025

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen zo’n beetje volgt, moet er al tegengekomen zijn van werken van Midas Dekkers. In januari 2025 kwam Lichamelijke oefening aan de beurt, in maart 2023 Poot – Verhalen over de hond, in juni 2022 De koeskoes en andere beesten, in mei 2022 De kikvors en andere beesten, en in november 2021 De beste beesten. Allemaal bundels van cursiefjes op Lichamelijke oefening (daterend uit 2006) na, dat je als een zeer uitgebreid essay zou kunnen beschouwen, iets wat ook geldt voor voorliggend Het menselijk tekort.

Menselijke tekorten heb ik natuurlijk in meer dan voldoende mate, maar dankzij een boekenbon die ik van mijn vriendin kreeg voor mijn verjaardag - met boekenbonnen kan u mij altijd plezier doen - kon ik dít menselijk tekort kopen terwijl het nog vers in de boekhandel lag, zijnde in het najaar van 2025. Zonder dat ik zelfs maar naar de achterflap gekeken had, want een boek van Midas Dekkers kan me óók altijd plezier doen. Dat gezegd zijnde, voor de mensen die misschien wél een achterflapaanbeveling nodig hebben: “Is de mens nu nog niet af? Na miljoenen jaren evolutie is er nog steeds veel te wensen over. Survival of the sukkels. En dat is maar goed ook. Onvolmaaktheid is juist onze charme. De verlegen jongeman, het struikelende kind, dat spleetje tussen de tanden stemmen mild. Volmaaktheid is de dood in de pot en behelpen is leven. Wat moet een mens met een ideale schoonzoon? Wat moet de natuur met een ideale soort? Het leven wordt voortgedreven door onvolkomenheden, hoe hard de moderne mens die ook probeert te ontkennen door middel van fitness of botox. Koester ze. Zoals alleen Midas Dekkers dat kan legt hij uit dat het tekort hetgeen is dat ons menselijk maakt.”

Waarmee ík niet gezegd heb dat alleen Midas Dekkers dat kan. Maar misschien kan alleen Midas Dekkers het zoals Midas Dekkers het kan. In hoofdstukken die bijna van oneliners aan mekaar hangen – zóveel citatenmateriaal! -, soms ook oneliners die hij al in andere boeken gebruikt heeft (soms zelfs méér dan oneliners, bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk 4, Ons eigen ik, als hij het over zijn vroegere ambitie had om vrijgezel te worden), van het ene onderwerp naar het andere fietsend, met veel tongue-in-cheekhumor en een hoger gehalte aan filosofie dan je doorgaans in wel twintig biologen sámen aantreft, er voor zorgend dat je op het einde van die tweehonderdtachtig bladzijden denkt van ‘Verdomme, ‘t is weeral uit…’, al gebied de eerlijkheid ook te melden dat het lettertype in deze uitgave van Atlas Contact een stuk groter is dan het dat was in Lichamelijke oefening (toen nog bij gewoon Contact). Begint de volgend jaar tachtig wordende Dekkers wat last van zijn ogen te krijgen en wil hij zijn lezers, dat ondervindende, ontzien? Wou de uitgeverij een dikker lijkend boek serveren dat toch zo snel zou uit zijn als een exemplaar dat een derde dunner is? Of wou Dekkers de lezer wat tijd besparen zodat die lezer sneller naar een van de boeken van de vele door hem geciteerde auteurs zou kunnen overschakelen? Boeken zoals André Malraux’ uit 1933 daterende La condition humaine, door de Nederlander Edgar du Perron vertaald als Het menselijk tekort, het boek dat Dekkers tot het zijne inspireerde en waarvan hij simpelweg de titel overnam. Of boeken zoals The Human Condition van Hannah Arendt (ja, die titel is wel vaker gebruikt), Liefde’s verbijstering van Belcampo (Herman Pieter Schönfeld Wichers), Kroeglopen van Simon Carmiggelt, Das Unbehagen in der Kultur van Sigmund Freud, Onbehagen van Bas Heijne, Verzen van Willem Kloos, De toverberg van Thomas Mann, Paradise Lost van John Milton, de Essays van Michel de Montaigne, of een van de tientallen andere die hij niet alleen in de tekst noemt, maar – da’s behalve handig ook altijd aangenaam – ook opneemt in de tien bladzijden lange Literatuur-lijst op het einde van dít boek.

Als Dekkers al niet verwijst naar teksten zónder die specifiek te noemen, natuurlijk. In “Steeds doemden wetten op en praktische bezwaren, maar vooral toch blijk je jezelf voor de voeten te lopen”, bijvoorbeeld. Of in “Thuis worden ouden van dagen en jonge kinderen met de televisie in slaap gebracht in natuurprogramma’s vol dromen van onbezoedelde zeeën en eeuwig zingende bossen”. Dat laatste later nog eens in een variante gebracht: “Het bloed spat tegen de takken, eeuwg huilen de bossen.” Ziet u de verwijzingen niet? Dan is dat jammer voor u, maar u zal er ook niet aan dood gaan. En dat gebrek aan achtergrondkennis wordt misschien gecompenseerd met niéuwe achtergrondkennis: “Om het goede binnen en het kwade buiten te houden dient elk paradijs hermetisch van de gewone wereld te zijn afgescheiden. Het is er zelfs de definitie van. In het oud-Perzisch is een paradijs een omwalling, een pairi-daeza – ‘rondom muur’.” Een muur waarbinnen mijn oud-collega Levi zich ettelijke keren per jaar gedurende een dag bewoog, waar ik slechts één keer over geklommen ben (bij wijze van spreken dan, Eric Domb en Marc Coucke), maar die ik nu nooit meer zal vergeten. Om het maar niet al te uitgebreid te hebben over al die zaken waar Dekkers mij, en ongetwijfeld vele andere lezers, zo van het ene onderwerp naar het andere glijdend, aan herinnert: de gulden snede, de Vitruvius-man, de vijg der wijsheid, de doop als symbolische vergeving van de erfzonde (toch bij katholieken), of het essentiële verschil tussen een hemelvaart en een tenhemelopneming, om er maar een paar te noemen: “Als om alle sporen uit te wissen is er op aarde geen enkel overschot van Maria achtergebleven. Zij is met lichaam en ziel van de aarde verdwenen, wat elk jaar op 15 augustus wordt gevierd als Maria-Tenhemelopneming. Geen hemelvaart dus zoals haar zoon, maar een tenhemelopneming, want ze ging niet op eigen kracht. Verschil moet er wezen.”

Nog meer dingen noemen waarover Dekkers het in dit boek heeft, zou essentieel oneerlijk zijn tegenover de auteur. Hij heeft het namelijk over zóveel dingen dat ik er zelfs zal vergeten of wegens de schrik deze boekbespreking te lang te maken niet zal opnoemen waarvan ik in eerste instantie vond dat ze moesten vermeld worden. Ik ga dat dan ook niet doen. En ik ga nu niet eens een truc toepassen (wat ik wel vaker doe) om het stiekem tóch te doen. “Een mens doet wat hij kan”, schrijft Dekkers. “Hij kan praten, maakt gereedschap, zingt zeemansliederen, heerst zo’n beetje over de aarde en peutert in zijn neus als de beste”, maar hij kan ook dingen laten. Zoals Noach had kunnen laten twee exemplaren van de menselijke soort mee aan boord te nemen: “Een ark met 99 procent van de landschepsels aan boord lijkt nog het meest op een ruimgesorteerde insectendoos, maar dan zonder spelden. Samen met de wormpjes en andere kriebelbeestjes vormen ze de ruggengraat van het leven. Zelfs het merendeel van de zoogdieren kan mee. Dat zijn dan vooral knaagdieren zoals muizen. Die zouden het op de ark best naar hun zin hebben. In heel de Bijbel komt geen kat voor. In de dierentuin zou je ze beslist missen, de olifanten, nijlpaarden en neushoorns, maar de natuur draait zonder die grote jongens heus wel door; zonder dino’s en wolharige neushoorns redt ze het ook al een hele tijd. Groot is mooi en veel is lekker, maar je kunt ook overdrijven. In de rij van kandidaten om uit te sterven staan opmerkelijk veel uit hun krachten gegroeiden. Hun grootste vijand zijn zij zelf met hun enorme massa. Daar kunt u van meepraten. Als een van de SUV’s in het dierenrijk gaat een mens onder zichzelf gebukt.” Maar duidelijk nog niet genoeg: “In zijn ongeduld om de tijd naar zijn hand te zetten riep de mens onlangs zijn eigen tijdperk uit: het Antropoceen of Antropozoïcum. Waar Paleozoïcum en Mesozoïcum miljoenen jaren nodig hadden voor je iets wezenlijks zag veranderen meent de mens in een paar eeuwen zijn stempel te kunnen zetten. In zijn eentje. De mens! Die de rest van het leven op aarde amper in de gaten heeft, omdat die met z’n miljoenen zijn, of te snel, of te langzaam, of te groot, of te klein, of al uitgestorven. Hoogmoed. Voor elke mens telt de aarde duizenden schimmels en wieren. Wij kunnen er niet zonder, zij kunnen ons missen als kiespijn. Antropoceen! Laat me niet lachen.”

Ook niet met bijvoorbeeld het feit dat “tot aan de Burgeroorlog [in de Verenigde Staten, noot van mij] (…) daar nauwelijks linker- en rechterschoenen te koop [waren]. De mensen wilden ‘rechte’ schoenen die aan beide voeten pasten. In de oorlog kwamen de soldaten er eindelijk achter dat je voeten spiegelbeelden van elkaar zijn, maar er ging nog een generatie overheen voor de nieuwe ‘kromme’ schoenen algemeen waren.” Of met elritsen, een ook in onze beekjes levende soort karperachtigen: “Om zich tegen zijn vijanden te verweren verzamelt dit visje zich tot grote scholen, die zich als één organisme achter hun leider aan wenden en keren als een spreeuwenvolk. Om dat voor elkaar te krijgen is elk visje heel eenvoudig geprogrammeerd: zwem achter een andere elrits aan. Als iedere elrits die goed bij zijn hoofd is deze order opvolgt handhaaft de school zich als vanzelf. Maar wie zwemt dan voorop? Dat laten de vissen over aan het toeval. Er is er altijd wel een bij die niet goed bij zijn hoofd is. Die zwemt maar wat, met heel de rest er als vanzelf achteraan. Experimenteel is het zelfs mogelijk gebleken een willekeurige elrits door een hersenamputatie tot grote leider te promoveren.” Waaraan Dekkers dan nog toevoegt: “Ik vertel dit verhaal graag als luchtige noot op bedrijfsbijeenkomsten. In de zee van blauwe pakken is de baas van het bedrijf dan duidelijk te herkennen. Dat is die man met dat rode hoofd die zo schaapachtig meegrijnst.” Of, ten slotte met alle mensen, niet alleen de baas: “Chimpansees weigeren ondanks alle aansporingen van taalkundigen te gaan praten. Na een halve eeuw onderzoek weten we nu ook waarom. Apen doen er het zwijgen toe omdat ze niets te zeggen hebben. Mensen hebben niet veel meer in te brengen, maar praten juist om dat te verbergen.”

“Star is dom”, schrijft Dekkers ergens in het laatste hoofdstuk. “Als je elke generatie alleen doet wat je genen je ingeven ben je niet goed wijs. Nieuwe omstandigheden vragen om een nieuwe aanpak. ‘Verzin een list,’ zei Heer Bommel als hij weer eens in de problemen kwam. Daar had hij Tom Poes voor. Die stond dan ook als slim ventje te boek. Maar iets nieuws verzinnen is het grootste probleem niet, het oude loslaten, dat is de kunst. Dat moest Bommel zelf doen. Daar was híj dan weer goed in, omdat hij zo’n sukkelaar is.” Zoals ik dus, een sukkelaar als het op het stoppen met een boekbespreking aankomt. Vooral als het boek alle aanprijzing verdient. Maar goed, niets aan te doen, mijn inkt is op, ik moét wel ophouden.

Björn Roose