Over Paul Lebeau, de auteur van voorliggend werk, Xanthippe,
kan u, en dat is niet met alle Vlaamse auteurs het geval, een en
ander lezen op Wikipedia. Dat hij geboren werd in Borgerhout
in 1908, bijvoorbeeld, en stierf in Brussel in 1982. Of dat hij in
1930 doctoreerde met een proefschrift Het dilettantisme in de
Nederlandse literatuur, in 1931 een loopbaan in het onderwijs
begon, in 1934 “met succes had deelgenomen aan een
interuniversitaire wedstrijd” waardoor hij de kans kreeg verder te
studeren, en dat hij “cursussen [volgde] in vergelijkende
literatuurstudie te Parijs en Berlijn”. Of dat hij tijdens de
Tweede Wereldoorlog “enkele artikels [publiceerde] in Volk en
Staat, waarin hij sympathie uitdrukte voor de Nieuwe Orde”,
“lezingen in collaborerende verenigingen [gaf]”, en “als gevolg
[daarvan] (…) bij de Bevrijding korte tijd [werd] aangehouden”.
Of dat hij “na de oorlog (…) redacteur van Dietsche Warande en
Belfort en bestuurslid van Boekengilde De Clauwaert
[was]”, “onder het pseudoniem van Lambert Stiers (…) toe[trad]
(…) tot de redactie van het Vlaams-nationale, culturele maandblad
Golfslag” en “In 1953 (…) de literaire kring De
Tafelronde [stichtte] en (…) mederedacteur van het gelijknamige
tijdschrift [was]”. Of dat hij “les [gaf] aan verschillende
athenea, tot hij in 1958 werd aangesteld als docent aan de toenmalige
Economische Hogeschool Sint-Aloysius en vanaf 1960 ook aan de
Facultés Universitaires St.Louis”, functies die hij bleef
“uitoefenen tot zijn pensionering in 1978”. Of dat hij “in 1970
(…) lid [werd] van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-
en Letterkunde als opvolger van Stijn Streuvels”. Maar ook dat hij
“vooral [naam maakte] met zijn historische roman Xanthippe
(1959), waar hij zijn vroegere productie ruimschoots overtrof, en
waarvoor hij drie maal bekroond werd. In deze roman laat hij, met
veel medegevoel en begrip, de beruchte echtgenote van Socrates haar
levensverhaal vertellen”.
Van wat u hierboven las als ‘feiten’ – ook daarover is af en
toe wat te vinden op Wikipedia – vindt u ook heel wat terug
in het boek. Of toch in de versie die ik daarvan heb, de in 1969
door voormelde Boekengilde De Clauwaert (u ongetwijfeld ook
bekend van talloze andere door mij besproken boeken) in de serie
Caleidoscoop der Nederlandse Letteren uitgegeven versie. Die
is namelijk voorzien van aantekeningen “door Dr. P. Govaerts &
Dr. B.F. Van Vlierden” (van wie ik de volledige namen niet
achterhaald heb), die ook gezorgd hebben voor een tweeëndertig
bladzijden lange bijlage onder de titel Vragen en opgaven, wat
er dan weer schijnt op te wijzen dat deze uitgave voor het onderwijs
was bedoeld (niemand dacht er in die tijd aan Bob Dylan de Nobelprijs
voor Literatuur te geven en boeken lezen op en/of voor school was
toen nog een serieuze bezigheid). Behalve die bijlage, in de titel
niet voor niets voorzien van een Romeins cijfer VII, vinden we
achteraan in het boek dan ook hoofdstukken over De auteur (I),
De generatie van 1936-39 (II), De motieven van Paul Lebeau
(III), een Bibliografie met A. Werk van Paul Lebeau, B.
Andere literaire werken over Xanthippe, en C. Over Paul Lebeau
(IV), Xanthippe, legende
of historie? (V), en Wat schrijvers en critici denken over
Xanthippe (VI), toevoegingen waardoor de toenmalige scholieren
het zonder twijfel zónder Wikipedia konden doen én… zich
niet lieten misleiden door diezelfde ‘online encyclopedie’. De
schrijvers en critici van toen waren namelijk niét van
oordeel dat Xanthippe een “historische roman” was. En daar hadden
ze volkomen gelijk in. Al is het maar omdat, zoals het in V.
Xanthippe, legende of historie? luidt, men “Van Xanthippe,
Sokrates’ echtgenote, (…) bitter weinig en eigenlijk niets met
zekerheid [weet]”: “Ze wordt vermeld door de twee grote antieke
schrijvers, Platoon en Xenophoon, die ons veel over Sokrates
meegedeeld hebben. Meermaals gebeurt het dat men de grootheid van een
historische en stilaan legendarisch geworden figuur meent te moeten
steunen op de bekrompenheid van haar omgeving. De grote wijsheid van
Sokrates werd een absoluut begrip, en Xanthippe betaalde zijn roem
met haar slechte naam. Allerhande legenden ontstonden rondom haar
persoon, waarvan de waarheid niet te achterhalen valt en overigens
dikwijls mag betwijfeld worden. De geest van de Griekse wijsbegeerte
uit die tijd heeft deze strekking ongetwijfeld voedsel gegeven: zij
koesterde een grote minachting voor de vrouw, en zelfs de liefde tot
haar werd als minderwaardig beschouwd. Slechts als moeder vond ze
daarin genade. Zo werd de naam ‘Xanthippe’ synoniem en symbool
van alle vrouwelijke gebreken, vooral van domheid en kijfzucht.”
“Het is een van de grootste verdiensten van Paul Lebeau”, luidt
het dan ook verder in datzelfde hoofdstuk, “dat hij de
legendarische figuur van Xanthippe een volledig menselijke en
psychologische verantwoording heeft geschonken, die terzelfder tijd
een rechtvaardiging is geworden. Aan de vlakke en eenzijdige
karikatuur heeft hij een dimensie toegevoegd: die van het leven zelf
dat hij in zijn boeiende roman heeft opgeroepen.” Vandaar dat
Albert Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort schreef:
“Historische roman? De personen, de feiten en de milieuschildering
zijn voor een deel historisch. Wie enigszins vertrouwd is met de
klassieke oudheid zal worden bekoord door de fijnzinnige – en
nergens pedante – schildering van het Griekse milieu in de eeuw van
Perikles. Lebeau heeft er zelfs naar gestreefd, aan zijn roman een
objectief waarheidskarakter, of liever de schijn daarvan, te geven
door aan zijn stijl een klassieke allure te schenken. Beelden en
taalwendingen roepen voortdurend klassieke herinneringen wakker. Toch
zijn opzet en uitwerking van deze roman grotendeels
subjektief-persoonlijk. Een groot deel van de handelingselementen en
van de psychologische karakterinhoud van ‘Xanthippe’ is inventie
van Lebeau. Het is hem ook niet om het vertellen van een antieke
historie te doen. Hij wil integendeel een probleem, dat hem
persoonlijk heeft getroffen, in een antiek verhaal vermommen zoals
moderne auteurs vaak hebben gedaan (…)”.
De rest van de schrijvers en critici – Paul Hardy, Raymond
Herreman, Feniks (van ‘t Pallieterke), Hubert Lampo, André
Demedts, Bernard Kemp, Maria Rosseels, J. Snyders, H. Prijs, R. Van
de Moortel, Urbain van de Voorde, en de “jury van de
Literatuurprijsvraag der gemeente Hilvarenbeek 1960” –, of toch
hun mening betreffende Lebeau’s Xanthippe, laat ik over aan
wie dit boek in handen zou krijgen, maar sluit zeer nauw bij die van
Westerlinck aan. Iets waar ik mee kan leven en wat ik niet as such
ga herhalen. Ik voeg er liever een paar dingen aan toe. Deze
Xanthippe is geschreven vanuit de positie van de hoofdpersoon zelf,
die haar verhaal begint als een afscheidsbrief aan haar kinderen (en
die van Socrates dus), een afscheidsbrief die ze opmaakt nadat ze al
in den vleze – maar zonder dat de kinderen dat als dusdanig opgevat
hebben – van hen afscheid genomen heeft en vóór dat ze zelf de
gifbeker zal ledigen. Een afscheidsbrief die misschien – zoals de
zelf nu ook niet meteen vlot schrijvende Hubert Lampo aangeeft –
“ietwat stroef” begint, maar waardoor je als lezer al snel in de
stijl van het verhaal zit en waar je na verloop van tijd, al helemaal
als vanaf hoofdstuk II (niet te verwarren met bijlage II) het
voortdurende letterlijk aanspreken van de kinderen vervalt, volkomen
aan went: “Weent niet mijn zoons, nu gij deze rol uit mijn dode
handen hebt losgemaakt, maar luistert naar mijn woorden. Ik heb de
scheerlingbeker gedronken zoals destijds uw vader Sokrates. Want mijn
taak is volbracht nu ook Menexenos gehuwd is en gij allen gelukkig
woont in uw eigen huis. Ik ben niet heengegaan omdat gij mij verlaten
hebt en nu een andere vrouw uw kleren weeft en uw maal bereidt. Ook
niet omdat ik oud ben en mijn schoonheid sinds lang vervlogen weet
als de rook van een uitgebrand vuur. En vooral niet omdat gij, mijn
goede Hippobotos, die mij en de mijnen zoveel goeds gedaan hebt al
die jaren, iets zou nagelaten hebben om mij gelukkig te maken. Maar
zoals de slavin, die ‘s avonds de kinderen van haar meesteres heeft
te ruste gelegd en even aan de deur van hun kamer luisteren wil naar
de regelmaat van hun ademhaling, slechts het onrustig kloppen voelt
van haar eigen hart om zich dan te spoeden naar de duistere boomgaard
achter ‘t huis waar haar geliefde wacht, zo spoed ik mij, nu ik u
bezorgd weet, naar de duistere Hades, want waar mijn man is daar hoor
ook ik. (…) Immers dood ben ik al lang, want met Sokrates ben ik
gestorven. Maar terwijl mijn ziel hem achterna wou, had hij mijn
lichaam hier vastgepend met jullie zwakke armpjes. Ik kon niet, zoals
hij, met een licht gemoed de kinderen overlaten aan hun lot. Zijn
faam van deugdzaam burger was hem liever dan de zorg voor zijn gezin.
Maar in deze stad, waar gewetenloosheid de zekerste waarborg lijkt
voor de hoogste eer, bezit een vrouw geen recht en dus geen
burgereer; en zelfs al had ze die, dan zou ik ze geestdriftig
prijsgegeven hebben, als ik daardoor beter de toekomst van mijn
kinderen kon beschutten.” Een uitgebreid citaat waarmee voor een
niet onbelangrijk deel ook het karakter van Xanthippe is geschetst:
in essentie wil ze haar man volgen, maar ze heeft haar
verantwoordelijkheid genomen door dat niet te doen, en ze neemt hem
kwalijk dat hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen heeft om zo
niet voor haar dan toch voor haar kinderen te zorgen. Omdat hij zich
drukker maakte, ook voor hij de gifbeker ledigde, over zijn principes
dan over zijn naasten. Omdat hij wel met de fysieke gevolgen van z’n
keuzes voor zichzelf kon leven, maar geen rekening wenste te houden
met de fysieke en psychische gevolgen van z’n keuzes voor en met
anderen. Een gedragswijze die niet specifiek was of is voor Socrates
– zie de rol van Alcibiades in dit verhaal (en in de werkelijkheid)
-, maar die ík in ieder geval moreel verwerpelijk vind, wat het me
dan weer makkelijk maakte sympathie op te vatten voor de
hoofdrolspeelster. Iets waarvan ik geloof dat het ook in de bedoeling
van Lebeau lag, al heeft hij niet geprobeerd Xanthippe ‘beter’ af
te schilderen dan de ‘gemiddelde’ vrouw, in tegendeel, hij heeft
hier de verdediging van precies die ‘gemiddelde’ vrouw op zich
genomen. Een ‘gemiddelde’ vrouw die perfect van haar vader kan
houden tot bij zijn dood, van één man, van haar kinderen, en toch
(en niet alleen daarom) niet wil beschouwd worden als quantité
négligeable. Zoals een ‘gemiddelde’ man dus. “En daarom
trouwde ik de enige man in Athene, die geen onderwerping eiste van
zijn vrouw.”
Björn Roose






