dinsdag 1 februari 2022

De vingerafdrukken van Brahma – Hubert Lampo (boekbespreking door Björn Roose)

De vingerafdrukken van Brahma – Hubert Lampo (boekbespreking door Björn Roose)
“‘Wij mensen leven in drie dimensies. Het is echter mogelijk zich wezens voor te stellen die slechts in twee dimensies leven.’ ‘Als op een film, bedoelt hij?’ ‘Bij voorbeeld… Voor de grap zou men zulke wezens platlanders kunnen noemen. Nu hoor je het zo te bekijken, dat ze uiteraard alleen bewegingen voor- en achterwaarts of naar links en naar rechts kennen. Omhoog of omlaag, dáárover hebben ze nooit gehoord en ze denken er ook niet aan dat er zo iets zou bestaan. Volg je me, paps?’ ‘Ongeveer…’ mompelde ik, geconcentreerd aan mijn pijp trekkend zonder mijn amusement te laten blijken. ‘Goed… Stel je nou voor, dat hun wereldje erg klein is en dat een doodgewoon mens zijn vingers op het vlak zou drukken waar zij in leven. Dat zouden zij niet ééns voelen. Ten hoogste zou het hun opvallen dat er op die wereld van hen vijf kolossale schaduwvlekken rusten. Voor het overige begrijpen zij er geen barst van. Aan vingers, aan een hand of aan een mens denken zij niet, want zo iets abstracts kunnen zij zich niet voorstellen…’ ‘De introductie van het begrip abstract vind ik bepaald boeiend!’ moedigde ik hem aan; ik meende overigens wat ik zei. ‘Als er onder die platlanders filosofen en godgeleerden zijn, gaan die over het verschijnsel nadenken. Lang zal het niet duren of sommigen zien er een goddelijk teken in. Er bestaat een behoorlijke kans dat vroeg of laat zo’n snuggere platlander het verschijnsel met een onzichtbare aanwezigheid in verband zal brengen. De nauwkeurige verklaring zullen ze er wellicht niet voor kunnen bedenken. Als ze er een godsdienst op na houden, zullen zij het als een mysterie beschouwen, een bewijs voor het bestaan van een onzichtbare god, het bestaan van Brahma bij voorbeeld…”

Die titelverklaring van Hubert Lampo zouden we eventueel ook kunnen gebruiken voor het feit dat ik na het lezen van De moord op de Mahatma van Koenraad Elst precies een boek uit de kast haalde met de titel De vingerafdrukken van Brahma, maar dat zou volkomen onzin zijn. Aan die keuze kwam namelijk noch toeval noch goddelijke interventie te pas. Ik had simpelweg zin om weer eens twee “gelinkte” boeken na mekaar te lezen en hoefde daarvoor niet ver te zoeken in mijn boekenkasten (als ik wél ver had moeten zoeken, had ik van het plannetje afgezien).

Dat gezegd zijnde: het heeft nog vrij lang geduurd tegen dat ik eens een boek van Lampo besprak. En niet omdat ik eerder gelezen boeken van Lampo niet besproken heb. Nee, ik had vóór deze De vingerafdrukken van Brahma nooit een boek van de man gelezen, terwijl ik er toch al vele jaren een hele serie van hem in mijn kasten staan heb: uiteraard zijn bekendste, De komst van Joachim Stiller, maar ook De ruiter op de wolken, De goden moeten hun getal hebben, De Elfenkoningin, De verdwaalde carnavalsvierder, De zwanen van Stonehenge, Hélène Defraye, Hermione betrapt, Het graalboek, Terugkeer naar Atlantis, Terug naar Stonehenge, en de bundel De verhalen (met daarin de verhalen uit de bundels Dochters van Lemurië, De engel en de juke-box en Het kind moet een naam hebben). Ettelijke tientallen centimeters Lampo dus, waarvan De vingerafdrukken van Brahma maar een goede centimeter uitmaken. Een centimeter die overigens alléén De vingerafdrukken van Brahma bevat, want in deze Meulenhoff-editie uit 1978 zijn niet Marie-Rose-Marie, De zoon van meneer Davidson, De engel en de juke-box en Clarissa en de poesen opgenomen waarmee het oorspronkelijk gebundeld werd onder de gelijknamige titel.

Enfin, ik heb wel wat met het magisch realisme, dus werd het tijd dat ik ook eens wat las van – dixit Wikipedia – “niet alleen een belangrijke grondlegger, maar tevens de met afstand bekendste exponent” van die “stroming die zich kenmerkt door de realistische weergave van ‘bovennatuurlijke’ verschijnselen, eigenschappen en gebeurtenissen”. “Magie, esoterie en het paranormale worden daarbij”, aldus nog steeds Wikipedia, “zodanig ongemerkt en geleidelijk een aanvankelijk alleszins realistische vertelling binnengesluisd dat de lezer, misleid als hij is door zijn vertrouwdheid met de door de schrijver opgeroepen setting en de zich daarbinnen afspelende handeling, zich van de meest wonderlijke ongerijmdheden pas werkelijk bewust wordt, lang nadat hij ze in wezen al voor zoete koek heeft aangenomen en geslikt.”

Kan best wezen, maar in De vingerafdrukken van Brahma is van “ongemerkt en geleidelijk” echt geen sprake: je ziet de “ongerijmdheden” van een uur ver aankomen, je zit er eenvoudig op te wachten, want tot het zover is (en da’s niet eerder dan op pagina 104 – van de 127) kabbelt het verhaal maar wat voort. En terwijl het voortkabbelt, zit je je (ik toch) ook nog regelmatig te ergeren aan ‘s mans stijl. Een paar voorbeelden van die stijl ter illustratie:

– “Dat ook de laatste paar duizend ons trouw gebleven lezers zijn geesteskind, zoals hij de krant met negentiende-eeuwse plechtstatigheid bestempelde, zelden nog anders noemden dan De Slaapmuts, ignoreerde hij met de superieure onverschilligheid van wie zich als een zichzelf overlevende Don Quichote boven het oordeel van het pecus vulgus verheven acht”;

– “Sedertdien is het mij daarenboven duidelijk geworden, hoe dit gevoel de opwindende, ofschoon beheerste en niet onbehaaglijke spanning anticipeerde die voorgoed de voor mij wat mysterieuze atmosfeer van deze grijze regenzomer zal blijven kenmerken”;

– “Nadien viel het mij op, dat zij geen pyama had aangetrokken en mogelijk stilletjes lag te mokken om mijn verregaande verstrooidheid, waardoor ik er niet toe kwam de hand op haar zachte buik te leggen zoals zij verwachtte.”

Als ik zo’n dingen lees – en ik doe hier niet meer dan een paar voorbeeldjes daarvan tonen –, dan verwacht ik eigenlijk de hele tijd dat de auteur vervolgens het decor gaat slopen, z’n gekunsteld denkend personage een lap tegen zijn oren gaat geven, en na dit komisch intermezzo op een normale manier zal verdergaan, maar dat gebeurt dus niet bij Lampo. Hij gaat alsmaar door op die manier.

Wat niet wil zeggen dat dat personage, “hoofdredacteur van Het Avondnieuws”, niet af en toe écht grappig uit de hoek kan komen. Hier bijvoorbeeld:

– “Gebeurt er onverwacht iets belangrijks, bij voorbeeld een paleisrevolutie, die de democratische president van vandaag tot wijlen de democratische president van morgen maakt, dan probeer je Europa aan een telefoonlijntje te krijgen, waarna je zo vlug je benen je dragen kunnen naar de residentie van het nieuwe, nóg democratischer staatshoofd holt om uit diens eigen mond de nobele beweegredenen van zijn optreden op te tekenen…”;

– of “Al wie meende dat zijn opinie gewicht in de schaal wierp (en wie meent dat in Antwerpen niét) (…)”;

– of ten slotte “Is het wel waar dat men tegenwoordig nog alleen de koppen leest? Is dat geen gevolg van het irriterende verschijnsel, dat er nauwelijks nog iets méér dan wat koppen overblijft…?”

Grappig én gemeend, zou ik zeggen, maar Hubert Lampo is niet het soort auteur waarvan je grappen verwacht, dus blijf je ook na zo’n passages wachten tot hij zichzelf op een of andere manier corrigeert.

Wat hij uiteraard niet doet. In tegenstelling tot wat geldt voor de “hoofdredacteur van Het Avondnieuws”: die laat zich corrigeren door zijn zoon. Lichtelijk kunstmatig, dat wel, maar Lampo kon ongetwijfeld de schijnbaar louter in feiten geïnteresseerde journalist niet zomaar laten overgaan naar een wijfelend geloof in parallelle universa. Daarvoor moest de dialoog met die zoon, die open staat voor mógelijke feiten, zorgen. Die dialoog en de twee verhalen bínnen het verhaal: dat van Everaart Merlaan, een van de voorgangers van het hoofdpersonage als hoofdredacteur van Het Avondnieuws, en dat van Elooi Pruystinck, “van Looi de Schaliedekker, zoals men hem noemde”, leider van een Antwerpse club van adamieten.

Lampo gooit er ook nog eens een niet bestaand boek tegenaan, trouwens: “de Heksenkamer”. De eerste keer dat ik dat woord las, dacht ik nog dat het een misdruk was, maar een paar lijnen verder heeft hij het er nog eens over. Als ik de auteur ervan zou verdenken grappig te willen zijn, quod non, dan zou ik denken dat hij het met opzet heeft gedaan, maar nu moet ik er dus van uitgaan dat hij zich er niet van bewust is dat het boek Heksenhamer heet (Malleus Maleficarum in het Latijn). Of misschien tóch wel, want een paar bladzijden verder vraagt hetzelfde personage op de stelling “Dan is het beest gekomen” “wat voor een beest ze bedoelt, een losgebroken paard, of misschien een wolf”.

Onduidelijkheid alom dus, wat de intenties van de auteur betreft, terwijl hij het er niet eens echt om doet. Wat niét kan gezegd worden van wat volgt vanaf de al eerder genoemde pagina 104. Vanaf daar broddelt Lampo een min of meer apocalyptisch visioen bij mekaar, in de hoop de “verbijstering” van Everaart Merlaan over te kunnen brengen, maar verbijstert helaas alleen maar door de langdradigheid ervan. Dertien bladzijden gelul over “een vreemd blauw licht uitstralende lens”, “draperieën van noorderlicht”, “een uitgestrekt tapijt van glimmend slakkespoor”, “onbekende kristallen met zuiver mathematische hoewel op een vreemde manier onregelmatige en onbegrijpelijke vormen”, “de eerstgeborene uit de doden”, “een lam, hét Lam”, “als uit een spierwitte schaapsvacht gesneden wolkjes die in de flesgroene lucht hangen”, “een dreunen dat in mijn oor (slakkehuis, stijgbeugel, hamer, aambeeld) nauwelijks merkbaar blijkt”, “de schubben, de groene korsten, het slijm en de onbeschrijflijke uitwassen”, “huiveringwekkende, lemurische gedrochten, nauwelijks karikaturen van de natuur”, en “de engel van de donderslagen en de bliksem, van het met bloed en meteoren vermengde vuur, van de instortende gebergten, de vallende komeet, de exploderende zon, de uiteenspattende maan, de verschietende sterren, de krater waaruit de sprinkhanen en schorpioenen losbreken en van het beest dat uit de zee komt”, doen me niets, behalve zin krijgen om naar het einde van dat geraaskal te bladeren. En dan heb je nadien nog tien bladzijden véél te lang uitgesponnen “conclusie” te gaan.

Goed dat er in die “conclusie” nog gesproken wordt over “andere gebouwen, waaraan de historici kop noch staart krijgen”: “het Castel del Monte van Frederik II van Hohenstaufen, dat krankzinnig kasteel, ergens in Italië, in Andria geloof ik, waar letterlijk niets op accomodatie wijst voor bewoning of gebruik als versterkt militair steunpunt” en “de Abbot’s Kitchen op het ruïnenterrein van de abdij van Glastonbury. Het enige gebouw dat er rechtop is gebleven, ginds op de als heilig beschouwde grond van het Eiland Avalon en als keuken van de abt werd bestempeld. Omdat het inderdaad niet mogelijk is er een redelijke bestemming voor te verzinnen.” Die dingen bezoeken, dat wil ik nu wel. Toch een béétje dank aan Hubert Lampo dus.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !