Wie eens wat meer wil vernemen over de zogenaamde ‘objectiviteit’
van de ‘online encyclopedie’ Wikipedia, zou ik zeker
aanraden dit boeiende vraaggesprek van Tucker Carlson met Larry Sanger, mede-oprichter van die ‘online
encyclopedie’, eens te bekijken. Hij zal er ook in horen waarom
mensen als ik, ondanks het feit dat ik al langer dan vandaag wéét
dat die bron verre van objectief is en ik dat liever anders zouden
zien, het ding toch regelmatig gebruiken (tip: TINA), maar intussen
zijn er hoe dan ook wel wat trucjes om de zogenaamde encyclopedie
objectiever te maken. Er, in zoverre die bestaan, versies van de
artikels in verschillende talen op naslaan, bijvoorbeeld. Ik ga niet
beweren dat die allemaal ‘origineel’ zijn, zoals in: we hebben
niet afgekeken van mekaar, maar in de ene versie sluipt er toch al
eens wat binnen dat in de andere niet te vinden is, wellicht omdat de
subjectiviteit van de ene auteur afwijkt van die van de andere, een
fenomeen dat ik ook kon vaststellen betreffende Virgil Gheorghiu,
auteur van het voorliggende Het
25e
uur.
Dat Gheorghiu als zoon van een orthodoxe priester in 1916 geboren
werd in Valea Albă in
Roemenië, daar zijn de schrijvers van de Nederlandstalige en
Engelstalige Wikipedia het over eens. Over het feit dat hij
van 1928 tot 1936 aan de militaire hogeschool Koning Ferdinand I
studeerde ook, al hebben de schrijvers van de Engelstalige versie het
louter over “high school”, niet over ‘military high
school’ en maken ze geen melding van het gegeven dat hij aldaar
“begon (…) met het schrijven van poëzie”. Vervolgens vermelden
de schrijvers van het Nederlandstalige lemma dat hij filosofie en
theologie ging studeren aan de universiteit van Boekarest, waar hij
ook zijn eerste dichtbundel uitbracht “met onder andere een gedicht
naar aanleiding van de moord op politicus Armand Călinescu”
en waar hij ook “aan zijn journalistieke carrière [begon] en
werkte (…) voor verschillende kranten”. In het Engelstalige
artikel wordt noch over die gedichten noch over die journalistieke
carrière gesproken, studeert Gheorghiu behalve aan de universiteit
van Boekarest ook nog “at Heidelberg University”, en gaat
hij op reis naar Saoedi-Arabië, waar hij “the Arabic language
and the Arab culture” leert en een biografie van Mohammed
schrijft: “The book was translated from Romanian to French and
to Persian in Iran and in Urdu in Pakistan; unfortunately [wat
een duidelijke blijk van subjectiviteit, dat woord, noot van mij],
this book was never translated into English.”
“In juli 1941”, lezen we dan vervolgens op de Nederlandstalige
versie, “ten tijde van het regime van generaal Ion Antonescu, dat
zich gelieerd had aan nazi-Duitsland was hij correspondent voor het
ministerie van propaganda, liep hij mee in de verovering van
Bessarabië en voer hij mee op de onderzeeboot Dolfijn tijdens
de maritieme blokkade van de Krim. Hij schreef drie bundels over deze
veldslagen, die meerdere malen werden herdrukt.” In het Engels is
dat kennelijk niet gebeurd, maar daar wordt hij wel al wat vroeger
dan in het Nederlands ambassadesecretaris. Vergelijk “Between
1942 and 1943, during the regime of General Ion Antonescu, Gheorghiu
served in the Ministry of Foreign Affairs of Romania as an embassy
secretary.” met “Vervolgens werd hij in 1943 aangesteld door
datzelfde ministerie als secretaris op de ambassade in Zagreb in
bezet Kroatië”.
En dan komt er een stukje Engelstalig geheugenverlies dat zeer de
moeite waard is: “He went into exile when Soviet troops entered
Romania in August 1944. Arrested at the end of World War II by
American troops, he eventually settled in France in 1948.”
‘Exile’ naar waar? Wordt niet vermeld. Hoe lang in
verzekerde bewaring gebleven bij de Amerikanen? Wordt niet vermeld.
De Nederlandstaligen zijn daar wat duidelijker over: “Toen de
Sovjet-Unie in 1944 Roemenië binnenviel weigerde hij naar zijn
vaderland terug te gaan. Hij en zijn vrouw vluchtten naar Oostenrijk
in de hoop uiteindelijk naar Amerika te kunnen ontkomen. Ze werden
echter geïnterneerd. Na zestien maanden kwam hij vrij (…)
Uiteindelijk kwamen zij in 1948 in Frankrijk terecht.”
‘Geïnterneerd’ door wie? Dat wordt dan weer niet vermeld door de
Nederlandstaligen, alsof zowel de Nederlandstaligen als de
Engelstaligen uiteindelijk toch terugschrikken voor het vermelden van
het feit dat Gheorghiu, en vele andere met hem, ook na het einde van
de Tweede Wereldoorlog nog een eeuwigheid in Amerikaanse kampen doorbrachten.
Een terugschrikken waarvan ik uiteraard geen last heb als ik ook nog
even meegeef dat de auteur volgens de Nederlandstalige schrijvers van
de ‘online encyclopedie’ na die zestien maanden in dat
Amerikaanse kamp vrijkwam… “nadat hij zich had kunnen inschrijven
aan de faculteit theologie aan de universiteit van Heidelberg”.
Iets wat hij volgens de Engelstalige schrijvers kennelijk al zo’n
tien jaar eerder had gedaan…
Enfin, ze zijn het er in beide talen toch over eens dat hij een jaar
na zijn aankomst in Frankrijk voorliggend Het 25e
uur schreef, in het Frans La Vingt-cinquième Heure
getiteld. Of nee, toch niet. In het Nederlands heet het “Een jaar
later schreef hij de roman La Vingt-cinquième Heure”. In
het Engels: “A year later, he published the novel Ora 25
(in French: La vingt-cinquième heure; in English: The
Twenty-Fifth Hour), written during his captivity.” De duivel
zit in de details, nietwaar, maar we kunnen het er – zonder dat we
nog verder ingaan op wat beide versies te vermelden hebben over het
boek, iets wat ook in méér dan de details uiteenloopt (wat de
publicatie in Roemenië betreft bijvoorbeeld dertien jaar) – over
eens zijn dat het leven van de auteur minstens voor een deel model
gestaan heeft voor dat van één van de hoofdrolspelers in dat boek,
de schrijver Traian Koruga. Die is immers óók schrijver, zijn vader
is pope, hij gaat werken voor het Roemeense regime, gaat op de vlucht
richting Duitsland als de Sovjets Roemenië binnenvallen, en komt in
Amerikaanse gevangenschap terecht. Alleen heeft hij – en misschien
was dat bij Gheorghiu ook wel het geval – een goeie reden om voor
het Roemeense regime te gaan werken: hij heeft een joodse vrouw en
hoopt haar op die manier te beschermen tegen de anti-joodse
maatregelen van dat regime, wat ook nog min of meer lukt (al speelt
ze wel de krant kwijt die ze in eigendom had). Wat meer is dan wat
kan gezegd worden van het belangrijkste personage, een would-be
keuterboer, Johann Moritz: die moet gaan lopen omdat de vader van
zijn toekomstige echtgenote zeer tegen hun relatie is; hij komt in de
weg te zitten van een politiecommissaris die op zijn (op dat moment
al) vrouw uit is en komt zo in een kamp terecht voor verdachte
‘elementen’ en joden; hij krijgt op die manier het stempel ‘jood’
mee; hij ontvlucht dat kamp en komt in Hongarije in een ander kamp
terecht, dit keer omdat hij een Roemeen is; hij wordt als zogenaamde
Hongaarse vrijwilliger naar Duitsland gezonden om daar te werken en
komt daar ook weer in een kamp terecht; hij slaagt er dankzij een
zogenaamde rassenkenner in aan de andere kant van het prikkeldraad te
komen en Waffen-SS’er te worden; hij helpt een paar Franse
krijgsgevangenen ontsnappen terwijl hij zelf ook aan de haal gaat;
hij loopt zo in de armen van de Amerikanen – wat hij in eerste
instantie beter vindt dan in die van de Russen - en komt in hetzelfde
kamp terecht als Koruga; en hij overleeft dat, maar wordt na één
dag in vrijheid wéér opgepakt als potentieel vijandig element
binnen de Amerikaanse bezettingszone; en ten slotte moet hij tekenen
om het gevecht aan te gaan met de Russen of toch om niet langer
beschouwd te worden als een potentiële vijand. Heb ik nu net de hele
plot weggegeven? Op de avonturen van de vader en vrouw van Koruga en
de vrouw en ouders van Moritz na zo ongeveer wel, ja, maar de
essentie van Het 25e uur zit hem niet
in de plot, in het avontuur, in de aaneenschakeling van miserie. De
essentie zit hem in de aard van de miserie. Een aard die doorheen de
hele zwerftocht van Moritz, Koruga en aanverwanten hetzelfde blijft:
de ‘westerse technische samenleving’. En hoewel de kijk van
Moritz op wat hem allemaal overkomt – in tegenstelling tot wat
geldt voor Koruga is hij grotendeels subject, terwijl Koruga
afwisselend handelend en ondergaand is – in het begin nog komisch
aan doet (een beetje zoals De brave soldaat Svejk van de
Tsjech Jaroslav Hašek),
verdwijnt het komische element na een honderdtal bladzijden (van de
kleine vierhonderd) bijna volledig en wordt de filosofie, zeker nadat
Koruga Moritz weer ontmoet in Amerikaanse gevangenschap, allesoverheersend.
Wat voor de duidelijkheid geen
spijtige vaststelling is. In tegendeel: waar de filosofie er in het
begin van het boek er nog wat met de haren bij gesleurd lijkt te
worden – een techniek die de schrijver misschien toegepast heeft om
de lezer van meet af aan met z’n eigen inzicht naar de feiten te
laten kijken -, heb je na verloop van tijd de indruk dat filosofie en
gebeurtenissen niet meer met mekaar in wrijving komen. En dat terwijl
er zelfs helemaal aan het begin van het boek een passage voorkomt
over wat tegenwoordig onze alomtegenwoordige apps
zouden kunnen zijn, “de technische slaaf”. “De technische slaaf
is de knecht die ons iedere dag duizend diensten bewijst waar we niet
meer buiten kunnen. Hij drijft onze auto’s voort, bezorgt ons
licht, verschaft ons het water om ons te wassen, masseert ons,
vertelt ons amusante geschiedenissen als we onze radio aanzetten,
legt wegen aan, verzet bergen.” Maar het gaat hier toch “eenvoudig
om een mechanische kracht”, of om een ‘rekenkracht’ zoals we
hem nu zouden kunnen noemen? Nee, want “ook de menselijke slaven,
de kameraden van de technische slaven van onze hedendaagse
maatschappij, werden door de Grieken en de Romeinen als een blinde
kracht beschouwd, voor onbezielde wezens gehouden. Men kon hen kopen,
verkopen, weggeven, doden. Ze werden eenvoudig op hun spierkracht en
arbeidsvermogen getaxeerd. Precies dezelfde normen, die wij vandaag
de dag aan onze technische slaaf aanleggen.” Maar
“we kunnen de technische slaaf [toch] niet in de plaats stellen van
de menselijke slaaf”? Juist wel, alleen heeft “de technische
slaaf (…) bewezen handelbaarder en minder duur dan de menselijke
slaaf te zijn”, maar “wanneer men bedenkt dat de technische
slaven de sleutelposities in de hedendaagse maatschappijordening
innemen, is het gevaar zonder meer duidelijk (…) De mensen zijn
gedwongen, willen zij hen aan zich dienstbaar maken, hun gewoonten en
wetten te kennen en na te volgen. Iedere meester is verplicht om
enigszins de taal en de gebruiken van zijn personeel te kennen, wil
hij hen naar zijn hand zetten. De bezetter, omdat hij meestal
numeriek in de minderheid is, neemt nagenoeg altijd de taal en de
gewoonten van het bezette volk over, hetzij uit gemakzucht, hetzij om
praktische redenen. Hij doet dit, ofschoon hij bezetter en almachtige
meester is. Hetzelfde proces voltrekt zich binnen het kader van onze
maatschappij, al willen we dat niet toegeven. We leren de wetten en
spreekwijze van onze slaven. En aldus verloochenen we, langzamerhand
en zelfs zonder ons er rekenschap van te geven, onze menselijke
hoedanigheden en onze eigen wetten en normen. Wij ‘ontmenselijken’
onszelf, nemen de levensstijl van onze technische slaven over (…)
De menselijke wezens zijn verplicht om te leven en zich te gedragen
volgens de wetten der techniek, die vreemd zijn aan de menselijke
wetten.” Ik kan zo nog wel een tijdje verder citeren, maar wil voor
wie aan dit alles twijfelt gerust een paar dingen naar voren brengen
om dit te staven: wanneer was de laatste keer dat een
computerprogramma met u leerde werken? Wat doet u als het ‘muziekje’
van uw wasmachine afgaat? Hoe verslaafd
bent u aan het algoritme van X
of Facebook?
Vindt u dat als iemand
een groen ‘bolletje’ heeft op Teams
die persoon dan ook moet ‘opnemen’ als u ‘belt’? Dat en
zoveel andere dingen tonen aan hoezeer wij slaven geworden zijn van
onze zogenaamde slaven.
Van onze zogenaamde slaven en
van hun promotor, de burger: “De burger is dàt menselijke wezen
dat in zijn leven slechts één dimensie realiseert: de
maatschappelijke. Als de zuigerstang van een machine voert hij
slechts een enkele beweging uit en herhaalt die tot in het oneindige.
Maar in tegenstelling tot een zuigerstang heeft de burger de
pretentie om zijn activiteit tot symbool te verheffen, een symbool
dat hij tot voorbeeld stelt aan de hele wereld en door de hele wereld
nagevolgd wil zien. De burger is het gevaarlijkste beest dat ooit op
de aardbodem is verschenen sinds de kruising van de mens met de
technische slaaf. Hij bezit de wreedheid van de mens en van het dier,
samen met de koude onverschilligheid van de machine.” Dat is de
burger die Johann Moritz ‘vordert’; de burger die ten onrechte
een stempel op iemands voorhoofd slaat en dan het feit dat die
stempel daar staat beschouwt als bewijs dat die stempel daar ook
hoort te staan; de burger die als het op verantwoordelijkheid dragen
aankomt altijd weer zal verwijzen naar iemand hogerop in de machine;
de burger die als hijzelf hogerop in die machine zit, zal zeggen dat
die hele machine onder hem geen ongelijk kan hebben. Dat is de burger
die van zijn slachtoffers zal eisen dat ze zich neerleggen bij het
stempel dat ze gekregen hebben omdat toch echt niémand de burgers
wil onrustig maken; de
burger die ‘werk’ creëert omdat werk per definitie goed is (of
zelfs vrij maakt); de burger die prijzen op mensenlevens plakt, de
burger die mensen reduceert tot niet meer dan een human
interface aan een
lopende band, de burger die programmaatjes schrijft die aan mensen
moeten vragen of ze wel menselijk zijn en om dat te bewijzen iets
moeten doen dat verre van menselijk is. Dat is de burger die eist dat
je als je een machine gaat dienen de mensen met wie je een andere
machine hebt gediend als quantité
négligeable gaat
beschouwen. Dat is de burger die eist dat je niemand dient boven hem.
Dat is de burger die je als hij niet meer kan geholpen worden, zal
meesleuren in zijn graf. Dat
is de burger die massa wordt, “mensenmassa, dat beest uit de
Openbaring, dat met duizend voeten zijn vlees vertrapte, zijn levende
lichaam verbrijzelde”. Dat is de burger die iedereen gevangen zet
om de schuldige toch maar makkelijk bij de hand te hebben: “Op die
manier hoeven we slechts op een knop te drukken die de betreffende
initialen draagt. En nog voordat je tot drie kunt tellen, hebben we
de kaart van de gezochte vóór ons met zijn foto en alle
aanwijzingen: zijn lengte, zijn gewicht, de kleur van zijn haar, zijn
geboorteplaats en -datum, het aantal van zijn tanden en wat ons
verder nog aan hem interesseert. We behoeven de hoorn slechts van de
haak te nemen en radiografisch het kamp of de gevangenis waar die
persoon zich bevindt, op te bellen, en een paar uur later staat hij
in levenden lijve voor het Internationaal Gerechtshof in Neurenberg.
Dat is prachtig! Dat is het resultaat van de techniek! Alles gaat
automatisch. Alles elektrisch. Hoe kun je verlangen dat ze jou zouden
vrijlaten? Dat zou waanzinnig zijn. Je bent als een draad in een
weefsel. Eenmaal erin geweven, kan men die er niet meer uittrekken.
Je moet wachten tot het weefsel uit de machine komt. En dan is mèt
het weefsel ook de draad uit de machine bevrijd. Een andere weg is er
niet. De machine is secuur. Men moet geduld met haar hebben.” Dat
is ten slotte ook de burger die wie geen burger wenst te zijn als gek
wegzet: “Hoe kan men iemand bewijzen dat men niet gek is? Iedere
beweging, elk woord dat men voordien als normaal beschouwd zou
hebben, wordt nu uitgelegd als typerend voor een gek. Dezelfde
woorden, dezelfde uitspraken, dezelfde meningen die in het gewone
leven normaal lijken en zelfs intelligent, worden in een ziekenhuis
symptomen van waanzin. De grens tussen de normale toestand en die van
de waanzin is niet nauwkeurig vast te stellen.” Maar
goed, “allen willen zich als vrijwilliger melden” voor het
burgerdom. “Allen willen vechten voor de grote overwinning van
morgen. Die overwinning zal de mensen geluk brengen en beschaving,
vrede, brood, vrijheid, democratie.” En wie dat niet wil, wie geen
vrijwilliger wil worden, die blijft maar in zijn kamp, hè.
Onvrijheid of onvrijheid, da’s een redelijke keuze. Toch?
Nu goed, u merkt het, écht een
zeer filosofisch boek, dit Het
25e
uur. Geen idee of er
nog recente drukken van gepubliceerd zijn, maar ik zou wie niet bang
is z’n eventuele rooskleurige blik op onze maatschappij kwijt te
spelen zeker aanraden het te lezen. Meer dan vijfentwintig uur kan
dat nooit kosten.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !