Het is altijd een beetje lastig om een boek af te kraken dat op de
achterflap aangeduid wordt als “een stuk literatuurgeschiedenis”,
dus ga ik dat ook niet doen. Om drie redenen: ten eerste dat De
kreeftskeerkring ook niet zó slecht is; ten tweede dat zelfs de
grootste snertroman een “stuk literatuurgeschiedenis” vormt; ten
derde dat die commentaar van Hans van Straten gevolgd wordt door een
commentaar van Anaïs Nin, een vrouw getrouwd met twee venten
tegelijkertijd maar toch niet te beroerd om er tussen de soep en de
patatten door ook nog een relatie op na te houden met de auteur van
dit “stuk literatuurgeschiedenis”, die op zijn beurt óók
getrouwd was en samen met Nin porno op verzoek schreef. Waarmee ik
niet gezegd heb dat Van Straten niet gerechtigd was, of bij machte,
een literair oordeel te vellen, maar wel dat het meteen daarna
aanhalen van het oordeel van Nin (die ook de Narede mocht
verzorgen in deze in 1982 bij De Bezige Bij verschenen negende
druk van de vertaling van de hand van John Vandenbergh), een vrouw
die het eigenlijk met alles deed dat niet vast zat (inclusief haar
eigen vader) en met de verhalen daarover haar voor publicatie
vrijgegeven dagboeken vulde, het oordeel van Van Straten niet meteen
in waarde verhoogt. Te meer daar Miller toen hij het boek schreef
door Nin onderhouden werd en de eerste editie ervan zelfs op haar
kosten werd gedrukt (met geld dat ze afhandig had weten te maken van
haar psychotherapeut).
Wat overigens niet wil zeggen dat alles wat op die achterflap staat
onzin zou zijn: als Elisabeth de Roos (zelf ook vertaalster) schreef
dat “de vertaling (…) bijzonder knap [is], van een
bewonderenswaardige en bijna overal letterlijke tekstgetrouwheid”,
dan had ze ongetwijfeld gelijk, en het moet gezegd dat dit voor John
Vandenbergh geen eenvoudige klus kan geweest zijn (al is zoiets als
“Gaat daar ook trots op” op pagina 79 een gruwel). Het hele boek
lijkt namelijk te getuigen van iets wat kan omschreven worden als
écriture automatique (of
stream of consciousness
in het Engels), een onstuitbare woordenvloed die volkomen
spontaan uit de schrijfmachine van Miller lijkt gerold te zijn.
‘Lijkt’, zeg ik (tot tweemaal toe zelfs), want her en der blijkt
wel degelijk het tegendeel: hoe de gedachten van de auteur ook lijken
voort te razen, aan een snelheid die nauwelijks kan geëvenaard
worden door het leven (het zijne) dat hij er mee tracht te vatten, af
en toe verwijst hij gewoon letterlijk naar iets wat zoveel bladzijden
eerder geschreven is (“de notitieboekjes die ik nooit aanraakte, de
manuscripten die daar koud en dood lagen” op pagina 19 zijn op
pagina 20 dan wel ondergekotst, maar nog steeds “de notitieboekjes
die ik nooit heb aangeraakt en de manuscripten die daar koud en dood
liggen”), wat toch minstens een wil tot ‘constructie’ verraadt.
Én niet overeenkomt met wat hij in een brief aan een vriend had
geschreven over dit boek: “I start tomorrow on the Paris book:
first person, uncensored, formless – fuck everything.”
Op de Engelstalige Wikipedia heet het dat “combining
autobiography and fiction, some chapters follow a narrative of some
kind and refer to Miller’s actual friends, colleagues, and
workplaces”, dat “the book largely functions as an
immersive meditation on the human condition”, dat Miller zijn
leven “among a community of bohemians in Paris”
beschrijft, waar hij afwisselend “suffers from hunger,
homelessness, squalor, loneliness and despair over his recent
separation from his wife”, maar dat is wat het merendeel van
het boek betreft (een merendeel waarin élk begin van een ordentelijk
verhaal binnen de kortste keren weer weggemaaid wordt door geneuk en
gezuip) eigenlijk een beleefde manier om te vertellen dat het
onderwerp van dit boek de absolute onderste marge van de Parijse
maatschappij van het begin van de jaren negentiendertig is (“Dit
bestaan dat, als ik nog iemand was die trots, eer, ambitie, enzovoort
bezat, wel het laagste punt was waartoe een mens kan zakken”). Van
het ene helse hotel naar de volgende slaapplaats voor een paar
nachten, van syfilis naar gonorroe, van honderd Franse francs
in de handen naar nóg maar een ‘poef’, van de hoeren naar
iedereen neukende vriendinnen, van Parijs naar Le Havre… tot je
zo’n tweehonderdentien bladzijden ver bent, is het boek één grote
mallemolen van plaatsen waar je niet wil geweest zijn, situaties
waarin je je nooit zou willen bevinden, vrienden die je beter als
vijanden kan hebben, en een gebrek aan karakter waar zelfs de
gemiddelde politicus (“Ik voelde me vrij en toch ook geketend –
zoals je je voelt voor een verkiezing, als ze alle schurken kandidaat
hebben gesteld en ze je bidden en smeken om toch vooral de juiste man
te kiezen”) niet voor zou willen tekenen (“Voorzover ik het
bekijk, gebeurt er niets”). In tegenstelling voor wat geldt met
betrekking tot de zinnen die Miller produceert: “Tania is (...)
koorts – les voies urinaires, Café de la Liberté, Place
des Vosges, vrolijke dassen op de Boulevard Montparnasse, donkere
toiletten, Porto Sec, Abdullah sigaretten, het adagio uit de sonate
pathétique, oormicrofoons, bijeenkomsten waar niets dan anekdotes
verteld worden, borsten met gebrande sienna, dikke kousebanden, hoe
laat of het is, gouden met kastanjes gevulde fazanten, tafzijden
vingers, nevelige schemering waaruit de steeneik opdoemt,
acromegalie, kanker en razernij, warme sluiers, pokerfiches, tapijten
van bloed en weke dijen.” Er zit ongetwijfeld een zin in die zin,
er is betekenis, maar uiteindelijk blijft er alleen een gevoel over,
en als lezer ben je geneigd verder te lezen. Louter omwille van het
lezen, niét omdat de woordenstroom ook inhoudelijk tot je doordringt
(mijn excuses als dat bij u anders ligt). “Hij valt op haar schoot
en blijft daar trillend als kiespijn liggen”, is mooi, maar wil
niet veel zeggen. “Pasen kwam als een bevroren haas” eveneens.
Een met de ‘werkelijkheid’ gemengde droom als deze ook (gewoon
omdat die ‘werkelijkheid’ in absurditeit nauwelijks moet
onderdoen voor die droom): “En, met zijn verdriet zwaaiend als met
een duistere lantaren, waggelt Van Norden die gang af, waggelt in en
uit waar maar een deur opengaat en een hand hem naar binnen sjort of
een hoef hem er uittrapt. En hoe verder hij afdwaalt, hoe
naargeestiger zijn verdriet wordt; hij draagt het als een lantaren
die fietsers op avonden als de straat nat en glad is tussen hun
tanden houden. Hij dwaalt die sombere kamers in en uit en als hij
gaat zitten, bezwijkt de stoel, als hij zijn koffer openmaakt zit er
slechts een tandenborstel in. In iedere kamer is een spiegel waar hij
vol aandacht voor staat en zijn woede wil verkauwen en door dat
voortdurende kauwen, door dat gemopper en gemompel en gesputter zijn
zijn kaken uit het lid geschoten en bedenkelijk afgezakt en als hij
zich door de baard strijkt, brokkelen er zo maar stukken van zijn
kaak af en hij heeft zo het land in op zichzelf dat hij op zijn eigen
kaak trapt en die met zijn grote hielen verpulvert.”
“Ik heb geen geld, geen middelen van bestaan, geen hoop. Ik ben de
gelukkigste mens ter wereld”, schrijft Miller aan het begin van het
boek, gevolgd door “Een jaar geleden, een half jaar geleden, meende
ik dat ik kunstenaar was. Nu meen ik dit niet meer, ik ben het
ook. Al wat literatuur was, is van me afgevallen. Ik hoef, god
zij dank, geen boeken meer te schrijven”. Terwijl hij het tóch
deed, want “Dit is geen boek. Dit is smaad, laster, eerroof. Dit is
geen boek in de gewone zin van het woord. Nee, dit is één
voortdurende belediging, een fluim in het aangezicht van de Kunst,
een trap tegen het achterste van God, Mens, Lot, Tijd, Liefde,
Schoonheid… wat je maar wilt.” En dan toch eindigen met “een
stuk literatuurgeschiedenis”… Misschien omdat hij het
uiteindelijk wél weer een boek noemt: “Er was niets dat me
haastte, behalve dan het boek af te maken en daar maakte ik me niet
al te dik om omdat ik er al lang van overtuigd was dat er toch
niemand was die dit zou slikken.” Misschien ook vanwege de uitleg
die hij aan het boek geeft in het hoofdstuk dat loopt vanaf pagina
213 tot en met 230, een hoofdstuk waarna de nog volgende vijftig
bladzijden een beetje een anticlimax vormen, een bewuste keuze, zo
lijkt het, want de stijl van die laatste vijftig bladzijden is
opvallend rustiger, de ik-figuur komt zélf tot rust nu hij de
redenen voor het schrijven van dit boek (geen boek) uiteengezet
heeft. Redenen waarin verwezen wordt naar Walt Whitman (“die ene
eenzame figuur die Amerika in de loop van zijn kortstondig bestaan
voortgebracht heeft”), naar Goethe (“een fatsoenlijke burger, een
schoolmeester, een vervelende vent, een universele geest, maar
voorzien van het Duitse handelsmerk, van de dubbele adelaar”), naar
Stavogrin en zijn schepper Dostojewski (“Stavogrin was Dostojewski
en Dostojewski was de som van al die tegenstrijdigheden die een mens
òf verlammen òf naar de toppen voeren”), naar Blaise Cendrars’
Moravagine, maar waarin Miller ook rechtstreeks uitleg geeft
over zijn missie: “(…) het is mijn idee geweest om een
wederopstanding der emoties uit te beelden, een beschrijving te geven
van het gedrag van een menselijk wezen in de stratosfeer der ideeën,
dat wil zeggen, in een toestand van allerhoogste opwinding. Een wezen
te schilderen uit de tijd van vóór Socrates, een schepsel half
geit, half Titiaan.” “Als we zo af en toe eens bladzijden
tegenkomen die exploderen”, voegt hij daar aan toe, “bladzijden
die wonden en verzengen, die gekerm en tranen en vloeken afpersen,
weet dan dat ze komen van een mens die razend is, een mens wiens
enige verdediging zijn woorden zijn en zijn woorden zijn altijd
sterker dan de leugenachtige, verpletterende druk van de wereld,
sterker dan welke pijnbank of welk rad ook dat de lafhartigen
uitvinden om het wonder der persoonlijkheid te vernietigen. Zo ooit
iemand het waagde te vertolken al wat in zijn hart leeft, neer te
schrijven wat waarlijk zijn ervaring en werkelijk zijn waarheid is,
ik geloof dat de wereld dan over de kop zou gaan, dat ze in stukken
en brokken zou ontploffen en geen god, geen toeval, geen wil de
stukken, de atomen, de onvernietigbare elementen waaruit de wereld
bestaat ooit weer bij elkaar zou kunnen krijgen.”
En zie, die “iemand” kan nooit Miller geweest zijn, want de
wereld is er nog, al heeft hij De kreeftskeerkring nog zo vol
gepropt met emoties en opwinding. Misschien is zo’n, weliswaar
welriekende, diarree van woorden dus niet genoeg om de wereld te doen
ontploffen. Misschien is het ook gewoon zo dat, zoals Michel Houellebecq al zei,
literatuur simpelweg nergens toe dient. Misschien is dat wel waarom
De kreeftskeerkring “een stuk literatuurgeschiedenis” is geworden.
Björn Roose
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !