dinsdag 22 oktober 2024

De kreeftskeerkring – Henry Miller (boekbespreking door Björn Roose)

De kreeftskeerkring – Henry Miller (boekbespreking door Björn Roose)

Het is altijd een beetje lastig om een boek af te kraken dat op de achterflap aangeduid wordt als “een stuk literatuurgeschiedenis”, dus ga ik dat ook niet doen. Om drie redenen: ten eerste dat De kreeftskeerkring ook niet zó slecht is; ten tweede dat zelfs de grootste snertroman een “stuk literatuurgeschiedenis” vormt; ten derde dat die commentaar van Hans van Straten gevolgd wordt door een commentaar van Anaïs Nin, een vrouw getrouwd met twee venten tegelijkertijd maar toch niet te beroerd om er tussen de soep en de patatten door ook nog een relatie op na te houden met de auteur van dit “stuk literatuurgeschiedenis”, die op zijn beurt óók getrouwd was en samen met Nin porno op verzoek schreef. Waarmee ik niet gezegd heb dat Van Straten niet gerechtigd was, of bij machte, een literair oordeel te vellen, maar wel dat het meteen daarna aanhalen van het oordeel van Nin (die ook de Narede mocht verzorgen in deze in 1982 bij De Bezige Bij verschenen negende druk van de vertaling van de hand van John Vandenbergh), een vrouw die het eigenlijk met alles deed dat niet vast zat (inclusief haar eigen vader) en met de verhalen daarover haar voor publicatie vrijgegeven dagboeken vulde, het oordeel van Van Straten niet meteen in waarde verhoogt. Te meer daar Miller toen hij het boek schreef door Nin onderhouden werd en de eerste editie ervan zelfs op haar kosten werd gedrukt (met geld dat ze afhandig had weten te maken van haar psychotherapeut).

Wat overigens niet wil zeggen dat alles wat op die achterflap staat onzin zou zijn: als Elisabeth de Roos (zelf ook vertaalster) schreef dat “de vertaling (…) bijzonder knap [is], van een bewonderenswaardige en bijna overal letterlijke tekstgetrouwheid”, dan had ze ongetwijfeld gelijk, en het moet gezegd dat dit voor John Vandenbergh geen eenvoudige klus kan geweest zijn (al is zoiets als “Gaat daar ook trots op” op pagina 79 een gruwel). Het hele boek lijkt namelijk te getuigen van iets wat kan omschreven worden als écriture automatique (of stream of consciousness in het Engels), een onstuitbare woordenvloed die volkomen spontaan uit de schrijfmachine van Miller lijkt gerold te zijn. ‘Lijkt’, zeg ik (tot tweemaal toe zelfs), want her en der blijkt wel degelijk het tegendeel: hoe de gedachten van de auteur ook lijken voort te razen, aan een snelheid die nauwelijks kan geëvenaard worden door het leven (het zijne) dat hij er mee tracht te vatten, af en toe verwijst hij gewoon letterlijk naar iets wat zoveel bladzijden eerder geschreven is (“de notitieboekjes die ik nooit aanraakte, de manuscripten die daar koud en dood lagen” op pagina 19 zijn op pagina 20 dan wel ondergekotst, maar nog steeds “de notitieboekjes die ik nooit heb aangeraakt en de manuscripten die daar koud en dood liggen”), wat toch minstens een wil tot ‘constructie’ verraadt. Én niet overeenkomt met wat hij in een brief aan een vriend had geschreven over dit boek: “I start tomorrow on the Paris book: first person, uncensored, formless – fuck everything.

Op de Engelstalige Wikipedia heet het dat “combining autobiography and fiction, some chapters follow a narrative of some kind and refer to Miller’s actual friends, colleagues, and workplaces”, dat “the book largely functions as an immersive meditation on the human condition”, dat Miller zijn leven “among a community of bohemians in Paris” beschrijft, waar hij afwisselend “suffers from hunger, homelessness, squalor, loneliness and despair over his recent separation from his wife”, maar dat is wat het merendeel van het boek betreft (een merendeel waarin élk begin van een ordentelijk verhaal binnen de kortste keren weer weggemaaid wordt door geneuk en gezuip) eigenlijk een beleefde manier om te vertellen dat het onderwerp van dit boek de absolute onderste marge van de Parijse maatschappij van het begin van de jaren negentiendertig is (“Dit bestaan dat, als ik nog iemand was die trots, eer, ambitie, enzovoort bezat, wel het laagste punt was waartoe een mens kan zakken”). Van het ene helse hotel naar de volgende slaapplaats voor een paar nachten, van syfilis naar gonorroe, van honderd Franse francs in de handen naar nóg maar een ‘poef’, van de hoeren naar iedereen neukende vriendinnen, van Parijs naar Le Havre… tot je zo’n tweehonderdentien bladzijden ver bent, is het boek één grote mallemolen van plaatsen waar je niet wil geweest zijn, situaties waarin je je nooit zou willen bevinden, vrienden die je beter als vijanden kan hebben, en een gebrek aan karakter waar zelfs de gemiddelde politicus (“Ik voelde me vrij en toch ook geketend – zoals je je voelt voor een verkiezing, als ze alle schurken kandidaat hebben gesteld en ze je bidden en smeken om toch vooral de juiste man te kiezen”) niet voor zou willen tekenen (“Voorzover ik het bekijk, gebeurt er niets”). In tegenstelling voor wat geldt met betrekking tot de zinnen die Miller produceert: “Tania is (...) koorts – les voies urinaires, Café de la Liberté, Place des Vosges, vrolijke dassen op de Boulevard Montparnasse, donkere toiletten, Porto Sec, Abdullah sigaretten, het adagio uit de sonate pathétique, oormicrofoons, bijeenkomsten waar niets dan anekdotes verteld worden, borsten met gebrande sienna, dikke kousebanden, hoe laat of het is, gouden met kastanjes gevulde fazanten, tafzijden vingers, nevelige schemering waaruit de steeneik opdoemt, acromegalie, kanker en razernij, warme sluiers, pokerfiches, tapijten van bloed en weke dijen.” Er zit ongetwijfeld een zin in die zin, er is betekenis, maar uiteindelijk blijft er alleen een gevoel over, en als lezer ben je geneigd verder te lezen. Louter omwille van het lezen, niét omdat de woordenstroom ook inhoudelijk tot je doordringt (mijn excuses als dat bij u anders ligt). “Hij valt op haar schoot en blijft daar trillend als kiespijn liggen”, is mooi, maar wil niet veel zeggen. “Pasen kwam als een bevroren haas” eveneens. Een met de ‘werkelijkheid’ gemengde droom als deze ook (gewoon omdat die ‘werkelijkheid’ in absurditeit nauwelijks moet onderdoen voor die droom): “En, met zijn verdriet zwaaiend als met een duistere lantaren, waggelt Van Norden die gang af, waggelt in en uit waar maar een deur opengaat en een hand hem naar binnen sjort of een hoef hem er uittrapt. En hoe verder hij afdwaalt, hoe naargeestiger zijn verdriet wordt; hij draagt het als een lantaren die fietsers op avonden als de straat nat en glad is tussen hun tanden houden. Hij dwaalt die sombere kamers in en uit en als hij gaat zitten, bezwijkt de stoel, als hij zijn koffer openmaakt zit er slechts een tandenborstel in. In iedere kamer is een spiegel waar hij vol aandacht voor staat en zijn woede wil verkauwen en door dat voortdurende kauwen, door dat gemopper en gemompel en gesputter zijn zijn kaken uit het lid geschoten en bedenkelijk afgezakt en als hij zich door de baard strijkt, brokkelen er zo maar stukken van zijn kaak af en hij heeft zo het land in op zichzelf dat hij op zijn eigen kaak trapt en die met zijn grote hielen verpulvert.”

“Ik heb geen geld, geen middelen van bestaan, geen hoop. Ik ben de gelukkigste mens ter wereld”, schrijft Miller aan het begin van het boek, gevolgd door “Een jaar geleden, een half jaar geleden, meende ik dat ik kunstenaar was. Nu meen ik dit niet meer, ik ben het ook. Al wat literatuur was, is van me afgevallen. Ik hoef, god zij dank, geen boeken meer te schrijven”. Terwijl hij het tóch deed, want “Dit is geen boek. Dit is smaad, laster, eerroof. Dit is geen boek in de gewone zin van het woord. Nee, dit is één voortdurende belediging, een fluim in het aangezicht van de Kunst, een trap tegen het achterste van God, Mens, Lot, Tijd, Liefde, Schoonheid… wat je maar wilt.” En dan toch eindigen met “een stuk literatuurgeschiedenis”… Misschien omdat hij het uiteindelijk wél weer een boek noemt: “Er was niets dat me haastte, behalve dan het boek af te maken en daar maakte ik me niet al te dik om omdat ik er al lang van overtuigd was dat er toch niemand was die dit zou slikken.” Misschien ook vanwege de uitleg die hij aan het boek geeft in het hoofdstuk dat loopt vanaf pagina 213 tot en met 230, een hoofdstuk waarna de nog volgende vijftig bladzijden een beetje een anticlimax vormen, een bewuste keuze, zo lijkt het, want de stijl van die laatste vijftig bladzijden is opvallend rustiger, de ik-figuur komt zélf tot rust nu hij de redenen voor het schrijven van dit boek (geen boek) uiteengezet heeft. Redenen waarin verwezen wordt naar Walt Whitman (“die ene eenzame figuur die Amerika in de loop van zijn kortstondig bestaan voortgebracht heeft”), naar Goethe (“een fatsoenlijke burger, een schoolmeester, een vervelende vent, een universele geest, maar voorzien van het Duitse handelsmerk, van de dubbele adelaar”), naar Stavogrin en zijn schepper Dostojewski (“Stavogrin was Dostojewski en Dostojewski was de som van al die tegenstrijdigheden die een mens òf verlammen òf naar de toppen voeren”), naar Blaise Cendrars’ Moravagine, maar waarin Miller ook rechtstreeks uitleg geeft over zijn missie: “(…) het is mijn idee geweest om een wederopstanding der emoties uit te beelden, een beschrijving te geven van het gedrag van een menselijk wezen in de stratosfeer der ideeën, dat wil zeggen, in een toestand van allerhoogste opwinding. Een wezen te schilderen uit de tijd van vóór Socrates, een schepsel half geit, half Titiaan.” “Als we zo af en toe eens bladzijden tegenkomen die exploderen”, voegt hij daar aan toe, “bladzijden die wonden en verzengen, die gekerm en tranen en vloeken afpersen, weet dan dat ze komen van een mens die razend is, een mens wiens enige verdediging zijn woorden zijn en zijn woorden zijn altijd sterker dan de leugenachtige, verpletterende druk van de wereld, sterker dan welke pijnbank of welk rad ook dat de lafhartigen uitvinden om het wonder der persoonlijkheid te vernietigen. Zo ooit iemand het waagde te vertolken al wat in zijn hart leeft, neer te schrijven wat waarlijk zijn ervaring en werkelijk zijn waarheid is, ik geloof dat de wereld dan over de kop zou gaan, dat ze in stukken en brokken zou ontploffen en geen god, geen toeval, geen wil de stukken, de atomen, de onvernietigbare elementen waaruit de wereld bestaat ooit weer bij elkaar zou kunnen krijgen.”

En zie, die “iemand” kan nooit Miller geweest zijn, want de wereld is er nog, al heeft hij De kreeftskeerkring nog zo vol gepropt met emoties en opwinding. Misschien is zo’n, weliswaar welriekende, diarree van woorden dus niet genoeg om de wereld te doen ontploffen. Misschien is het ook gewoon zo dat, zoals Michel Houellebecq al zei, literatuur simpelweg nergens toe dient. Misschien is dat wel waarom De kreeftskeerkring “een stuk literatuurgeschiedenis” is geworden.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !