woensdag 14 juli 2021

Opschuddingetjes – Alain Coppens (boekbespreking door Björn Roose)

Opschuddingetjes – Alain Coppens (boekbespreking door Björn Roose)
Tegenwoordig wordt er over van alles en nog wat opschudding veroorzaakt, maar dat is niet altijd zo geweest. Gazetten hadden tot nog maar een paar decennia geleden mensen in dienst die de naam journalist verdienden, mensen die achter zaken aangingen die in se nieuwswaardig waren, mensen die konden schrijven, mensen die niet voor zoetekoek slikten wat het regime hen voorkauwde, en opschudding was er veel minder vaak dan nu. Tegenwoordig hebben gazetten journaille in dienst, tuig van de richel, dat zich voornamelijk bezighoudt met het overnemen van de voorgekauwde kost van Belga, Reuters en tutti quanti; mensen die van niets iets maken, mensen die zitten vragen om nog meer input van het regime, en opschudding is er voortdurend. Opschudding verkoopt, flauwekul verkoopt, clickbait verkoopt.

Maar goed, serieuze mensen lezen al lang geen gazetten meer, ze lezen boeken. Bij voorkeur zelfs boeken die al een tijdje in de wereld zijn of handelen over zaken die niet (meer) in de actualiteit staan. Zoals dit Opschuddingetjes van Alain Coppens. Alhoewel, Alain Coppens, beroepshalve advocaat, heeft het in verschillende stukjes over wantoestanden bij het belze gerecht en die blijven al vele decennia lang actualiteit.

Behalve dit Opschuddingetjes zaten op het moment waarop dit boek gepubliceerd werd overigens ook Nog meer opschuddingetjes en Grote opschuddingetjes in de pijplijn, maar die zijn voor zover ik weet nooit verschenen. Of het alwetende internet heeft er in ieder geval geen weet van. Maar Coppens publiceerde, aldus de achterflap van dit in 2006 bij Roularta Books verschenen boekje, “de voorbije vijfentwintig jaar méér dan honderd wetenschappelijke studies in boeken en juridische vakbladen. Daarnaast schreef hij af en toe (onbedwingbare creativiteit of overlevingstherapie, wie zal het zeggen?) een opstel of een kroniek, waarin hij ongevraagd en ongezouten zijn mening over uiteenlopende maatschappelijke ontwikkelingen ventileerde” en een aantal daarvan zijn dus in dit Opschuddingetjes gebundeld.

Op de binnenflap van het boekje worden overigens een paar meningen van anderen “over de auteur” meegegeven. Zo wordt Frans Verleyen, van 1972 tot 1983 hoofdredacteur en van 1983 tot 1997 directeur van Knack, geciteerd als zeggende “Deze jongeman zal geschiedenis maken”, maar da’s duidelijk geschreven vóór dit boekje uitkwam, want toen was Verleyen al bijna tien jaar overleden. En Louis Tobback, al sinds 1971 onafgebroken in het bezit van een of meerdere mandaten voor de “Vlaamse” socialisten (tegenwoordig Vooruit), zou gezegd hebben “Coppens is gefrustreerd”, maar waar dat gezegd is, wordt er niet bij verteld (los daarvan, een mens zou gefrustreerd raken als hij actief was in de belze juristerij).

Als tegengewicht voor de keizer-koster kan dan weer Mark Eyskens tellen, ooit nog broederlijk met Tobback in een aantal regeringen zetelend, maar véél breedsprakeriger. Ter illustratie: “Het indringend beschrijven van anecdotische ervaringen tilt de dagelijksheid op tot een universele dimensie van de menselijke existentie. Dat dit gebeurt aan de hand van belevenissen gegrepen uit de leefwereld van de auteur verhoogt nog de spankracht tussen het particuliere en het algemene, het concrete uitgangspunt en de didactische les die men kan trekken uit het vaak tragikomisch gehakketak van de homo sapiens.” Er zijn zo van die voorwoorden die op zijn zachtst gezegd geen reclame zijn voor het boek dat er op dat moment nog achter verborgen ligt, maar als je vreest dat de stijl van het voorwoord aansluit bij dat van het boek, dan is dit zelfs anti-reclame. Gelukkig beperkt de woordenkramerij zich echter tot het voorwoord van Eyskens, die trouwens – aldus Wikipedia – bekend staat “als een vlotte, meertalige en humoristische causeur en tafelredenaar”. Mijn honger zou over zijn...

Enfin, een keer voorbij dat voorwoord komen we bij het werk van Coppens terecht en meteen zelfs in een Frans televisieprogramma waarin een aantal andere causeurs zich buigen over Charles Baudelaire. En van daaruit gaat het naar de Tweekerkenstraat, waar zich ook heden ten dage nog steeds het hoofdkwartier van de CVP bevindt, al heet die nu CD&V, een associatie die zo bekend is dat wanneer er sprake is van “de Tweekerkenstraat” iedereen weet dat je het niet over een straat hebt, maar over de tsjeven. En van daar weer, voorbij Maria van Bourgondië en het West-Vlaams (waarin hij zich opwerpt als de Gerrit Callewaert van de advocatuur), bij Godfried Bomans. Wie de werken van die laatste kent en ze bovendien weet te waarderen, komt bij mij automatisch in een hogere schuif terecht, zelfs al heeft iemand anders die ik als pleger van cursiefjes wel weet te waarderen, zijnde Simon Carmiggelt, ooit gezegd dat je van Bomans nooit mag zeggen dat het “een grote schrijver” is.

Van bij Bomans – door Coppens onder andere gewaardeerd omwille van zijn rake observaties van Vlaanderen (een Vlaanderen dat tussen het jaar dat Bomans het observeerde, 1971, en het moment dat Coppens in 1983 een stukje aan Bomans wijdde al grotendeels vergaan was) in Een Hollander ontdekt Vlaanderen – gaat het dan verder naar De malle ambtenaar (een sprookje over een werkzame ambtenaar die ze dan maar minister maken om hem te neutraliseren), het Nieuw Wereldtijdschrift (tot twee keer toe ter ziele gegaan, de laatste keer in 2000, zes jaar voor deze bundel gepubliceerd werd), ban-de-bombetogingen (Betogers gevraagd), een vernissage, de ambtenarij (De Belgische muur), de VTM (ooit was er een bels medialandschap dat alléén uit de VRT, toen nog BRT bestond; nu hebben we elvendertig kutzenders, maar zover was het nog niet toen Coppens daarover in 1991 een stuk schreef), tot bij een hele rij stukken over de gerechtelijke wereld in dit land. Niet altijd even makkelijk te volgen (vaak ook oorspronkelijk gepubliceerd in bladen als Vlaamse Jurist Vandaag, De Juristenkrant, Rechtskundig Weekblad of Publiekrechtelijke Kronieken), maar zelfs voor de leek een inkijkje biedend in die wereld.

En tussen die “juridische” stukken toch nog een paar over … de politiek. Een onder de titel De verloren eer van de provincies, waarin hij het heeft over het nog steeds lopende debat aangaande de bevoegdheden van de provincies en het al dan niet afschaffen van die dingen, en een onder de titel Cincinnatus achterna, waarin hij het feit aankaart dat in bepaalde gebieden (hier te lande, voor de duidelijkheid) “een enkele persoon gedurende méér dan een generatie de vertegenwoordiging van het volk voor zijn partij monopoliseerde” (geen verleden tijd overigens). “Het argument dat hij toch na vrije verkiezingen aan de macht kwam, overtuigt niet omdat het in ons kopstemstelsel haast uitgesloten is de nuttige volgorde van de kandidaten om te gooien”, voegt hij er aan toe, en verder: “Niet de inzet of de deskundigheid is doorslaggevend om als kandidaat naar voor te worden geschoven, alleen de behoefte en de drang, ja de zieke obsessie naar macht en de onafhankelijkheid van geest die men daarvoor wil opofferen”. De door Coppens naar voor geschoven “turnus van twaalf jaar” zou mogelijk een deel van de oplossing kunnen zijn, maar zolang een particratie verward wordt met een democratie zal die oplossing maar zeer ten dele zijn.

Helemaal op het einde komt Charles de Gaulle (zie mijn nog op komst zijnde bespreking van De Gaulle van Philippe Masson en De Gaulle – Alleen voor Frankrijk van Jan Bauwens) nog voorbijgewandeld in Republiek in de mist, maar eindigen doet Alain Coppens met … twee gedichten. Noch Schoon West-Vlaanderen, noch Symfonie spraken me bijzonder aan, maar ze maken van dit Opschuddingetjes echt wel een bundeling. Een lezenswaardige bundeling.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !