vrijdag 3 april 2026

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)
Hermann Eich, auteur van voorliggend Duitsers ongewenst (oorspronkelijke titel: Die unheimlichen Deutschen), schreef behalve dit origineel in 1963 verschenen boek ook nog Die misshandelte Geschichte – Historische Schuld- und Freisprüche. Daarmee heb ik u echter zo ongeveer alles meegegeven wat zelfs het internet me pas na enig aandringen wist te melden over de man.

Ja, ik vind op Wikipedia een Hermann Eich, maar los van het feit dat die in 1963 al vierentachtig jaar oud was en begin februari van datzelfde jaar overleed, staat er in het betreffende lemma niks over enige publicatie. En ja, een aantal mensen hebben in 1963 of later, bij het verschijnen van de vertalingen, gereageerd op het werk, maar ook zij wisten kennelijk niet wie Hermann Eich was. De destijds in Nederland wonende, in Duitsland geboren jood Maurice Frankenhuis nam aan dat Eich behalve “a thinking man” ook “not a very young German” was, maar vond dat wellicht ook niet echt belangrijk. Hij wou voornamelijk duidelijk maken dat Eich beter gezwegen had, dat de Duitsers in plaats van “unloved” simpelweg “unlovable” waren, en massaal ‘heropgevoed’ moesten worden: “(…) if it is not already too late, might I suggest that the only thing left for Germans of good will is to undertake a program of re-education beginning with the youth before it becomes contaminated by the ideology of its fathers. Perhaps then the German people would have a chance to redeem themselves. Their history can claim no justification.

Niet iedere criticus was zo gebeten op Eich, zijn boek, of – zoals in het geval van Frankenhuis – de Duitsers in het algemeen, maar Frankenhuis toonde wel meteen voor de helft aan wat Eich al in zijn Woord vooraf schrijft, terwijl Frankenhuis’ kennis van het boek duidelijk gebaseerd was op niet meer dan één stelling die “many intelligent people” naar zijn zeggen ‘verrassend’ vonden, zijnde dat de Duitsers de misdaden van Hitler wel degelijk erkenden, maar dat velen van hen niks wisten van de uitroeiing van de joden, iets wat zo’n vier bladzijden lang tegengesproken wordt door Frankenhuis. “De auteur is zich ervan bewust”, schreef Eich, “dat hij tegen twee muren stormloopt: het nationalisme en de angst voor het nationalisme. Daarom zullen de vertegenwoordigers van twee karakteristieke denkrichtingen in dit boek niet aan hun trekken komen: [1)] Allen die Duitsland en het Duitse volk voor het hoogtepunt van de schepping houden (…) [en 2)] Allen die Duitsland als de hel op aarde en het Duitse volk als een satansgebroed beschouwen.” Eich verwachtte dus niet met dit boek medelijden op te wekken of een veralgemeend begrip voor ‘de’ Duitsers, “Dit boek kan weinig verontschuldigen, maar wellicht veel verklaren”, zo stelde hij. “Het dingt niet naar de gunst van het buitenland, noch wil het de ‘ongewenste Duitsers’ provoceren waar de auteur zelf toe behoort, hetgeen hij zonder trots, maar ook zonder schaamte bekent. Het is veeleer zaak tussen loftuiting en berisping, vooroordeel en berusting een middenweg te vinden, en de wezenstrekken te ontdekken van een volkskarakter dat zich laat onderkennen bij en gedragen wordt door zoveel mogelijk van onze landgenoten. Als daaraan een wens – of, zoals Hofmannsthal het zegt ‘een laatste geloof’ – kan worden verbonden, dan is het, dat het Duitse volk, hoe onwaarschijnlijk het op dit ogenblik ook klinken mag, eens tot die gematigde vorm van nationaal bewustzijn komt, waarmee andere, meer gelukkige volken, sinds eeuwen rustig hun weg gaan door de geschiedenis.”

Mij lijkt dat behalve een correcte inschatting van twee ‘nationalistische’ kampen – kampen die ik overigens niet als dusdanig zou betitelen -, kampen die óf zichzelf beschouwen als de meesters der schepping óf de ander als het ongedierte van diezelfde schepping en dus in essentie onderling inwisselbaar zijn, ook een captatio benevolentiae die niet al te ingewikkeld in mekaar is gestoken en volkomen duidelijk zou moeten maken waar Eich heen wil. Hij is geen “apologist”, zoals Frankenhuis hem verkiest te noemen, geen apologeet, niet “iemand die zijn geloof verdedigt dooriets anders tegen te spreken”, tenzij dan een volkomen gerechtvaardigd ‘geloof’ in het feit dat geen enkel volk – laat ons het dan maar zo noemen – minderwaardig is (en dus ook niet meerderwaardig), iets wat hij voor ‘de’ Duitsers niet aantoont door alleen ‘hun’ goede kanten te belichten, maar ook door ‘hun’ slechte kanten niet te miskennen en door die goede én slechte kanten te vergelijken met die van andere volkeren. In onze politiek correcte tijden zou de oefening op zich al, een oefening ten voordele van de objectieve behandeling van éénder welk Europees volk, op tegenkanting van een horde zogenaamde ‘antiracisten’ botsen, maar noch ‘racist’ noch ‘antiracist’ zijnde moet ik zeggen dat Eich die oefening met goed gevolg volbracht heeft. Ik had vóór ik dit boek las al geen hekel aan Duitsers, noch lag ik in aanbidding voor elk of een van hen, maar Duitsers ongewenst is zo’n – tsja, ik vind dat een mooi woord – Fundgrube aan historische feiten en feitjes over Duitsers en andere volkeren dat ik alleen maar kan besluiten dat élk volk zo’n objectieve verdediger verdient. Én dat een boek als dit eigenlijk heruitgegeven zou moeten worden. De kans dat lezers immers deze inmiddels meer dan zestig jaar geleden bij Nederlands Boekhuis in Tilburg verschenen vertaling van de hand van Jos. H. Schmitz ergens op de kop kunnen tikken is wel bijzonder klein, terwijl het aantal mensen dat, ondanks het feit dat ze net zo min als ik ooit een oorlog met Duitsland hebben meegemaakt en zelfs geen subjectieve basis hebben om tegen ‘de’ Duitsers te zijn, dezer dagen nog doet alsof elke Duitser Adolf Hitler in persoon is, belachelijk groot blijft (zij het niet zo groot als het aantal mensen dat denkt dat alles wat de zetelende Israëlische regering onderneemt gerechtvaardigd is omdat de leden ervan joods zijn).

Ik probeer – al is het maar omdat ik de jongste tijd al een paar ál te uitgebreide boekbesprekingen heb geschreven – van deze bespreking geen ellenlang epistel te maken (het zou eens wat anders zijn, nietwaar?), maar zeg me vooral waar Eich de Duitsers vereert als hij van een man als Friedrich Nietzsche, door velen toch beschouwd als zéér Duits en een zogenaamde inspiratiebron van de nationaal-socialisten, weet te melden dat die “al in 1885 in Jenseits von Gut und Böse de spot gedreven [had] met pogingen, door meting van hoofd en lichaam het ideale Duitse mensentype te willen vaststellen. Voor hem waren de Duitsers ‘een volk, waarin op de meest monsterachtige wijze allerlei rassen waren vermengd en door elkaar geroerd.’”, een mening die hij een paar jaar later in Ecce Homo bevestigde door te stellen dat Duitsers “helemaal geen voeten [hebben] – alleen benen (…) Naar zijn mening overtrof de armste gondelier van Venetië een Berlijnse Geheimrat in elegance van beweging – een uitspraak, die toendertijd waarschijnlijk zelfs bij Berlijners geen tegenspraak wekte, want de combinatie van elegance en beschaving was ook in de tweede helft van de vorige eeuw al een gelukkig toeval.”

Maar Eich laat die stelling al zeer snel volgen door een andere: “Er schijnt dus toch een algemeen geldend herkenningsteken voor de Duitsers te bestaan. Het bewijs wordt dagelijks geleverd door de souvenirverkopers in de zuidelijke vakantielanden. Zij spreken de Duitse toeristen met grote zekerheid in de juiste taal aan. Overigens zouden zij ook Skandinaviërs en Nederlanders in het Duits aanspreken en zij zouden waarschijnlijk geen ander onderscheid tussen de verschillende volken kunnen noemen dan dat de Duitsers nu eenmaal overal in de meerderheid zijn, waarmee eens te meer de merkwaardige logica bij de beoordeling van buitenlanders is aangetoond.” Zelf al in diverse landen als Frankrijk, Italië en Tsjechië aanzien geweest zijnde voor een Duitser – ik die zó elegant ben! – kan ik dat van die “merkwaardige logica” in ieder geval bevestigen. Maar dat is misschien een gevolg van “de vermenging (ambivalentie) van aan elkaar tegengestelde, elkaar eigenlijk uitsluitende gevoelens en eigenschappen” die, aldus Eich, de toegang tot het wezen van ‘de’ Duitser ontsluiten: “‘Een Duitser, dat is moord en muziek tegelijk,’ zo heette het in een Franse film der ‘nouvelle vague’, die zich schijnt te hebben gespecialiseerd in het ontmaskeren van de Duitsers. Deze definitie mag dan door een onoverwinnelijke afkeer zijn ingegeven, dit neemt niet weg, dat zij toch een kern van waarheid bevat, zij probeert namelijk de Duitser als een samenstel van kontrasten voor te stellen, als iemand die onzinnig handelt en zich ‘onmogelijk’ gedraagt.” Wat dan weer een teken kan zijn van zich aanpassen aan de eisen van de niet-Duitsers: “Buitenlandse bezoekers verbaasden zich tussen 1950 en 1960, hoe goed gehumeurd de gezichten van de Duitsers er al weer uitzagen, ondanks de splitsing van hun land en de nood der verdrevenen. Menigeen voelde de Duitse opgewektheid in die jaren als iets ongepasts. Na 1960 werd er in de reisverslagen steeds meer gewezen op de diepe ernst, die nu op het gezicht van de gemiddelde Duitser lag. De opgejaagde, droevige en onrustige Duitser temidden van zijn welvaart werd een geliefd fotomotief. In de onderschriften bij de foto’s verklaarde men zijn gelaatsuitdrukking uit een nooit bevredigde gewinzucht of een diepgewortelde levensangst. ‘Duitsland, het land waar het minste gelachen wordt’ – zo luidde de slotsom na uitgebreide reizen door Duitsland zelfs nog vóór de oprichting van de Berlijnse muur.”

Dat waarnemers elkaar beïnvloeden én hun kijk op het waargenomene blijkt ook met betrekking tot ‘de’ Duitsers dus, euh, waar. Een fenomeen dat ook nu nog steeds zijn nadelen heeft: “Kernachtige Beierse uitdrukkingen inclusief leren broeken en hertshoornen knopen versterken in combinatie met de gutturale spreekwijze wel eens de indruk van plompe grofheid van de Duitsers. De achter het animale liggende kunstzin van de Beieren blijft voor de oppervlakkige beschouwer verborgen. Een luidruchtige minderheid bepaalt het totale oordeel, dat eenzijdig moet uitvallen alleen al omdat de buitenlanders hun ervaringen bijna uitsluitend in het Opperbeierse toeristencentrum opdoen.” Een “toeristencentrum” dat, van 1945 tot 1990, dan weer nergens te pas kwam als het om Oost-Duitsland ging: “Volgens de grondwet was aan de Duitsers van de Oostzone de mogelijkheid onthouden, mee te werken bij de opbouw van een vrij Duitsland. De Bondsrepubliek handelde in hun naam. Zij vertegenwoordigt heel Duitsland ook bij de herstelbetalingen aan Israël en bij de betaling van de schulden van het voormalige Duitse Rijk. Nagenoeg alle verwijten die zich tegen Duitsers richten incasseert de Bondsrepubliek, als vertegenwoordiger van alle Duitsers, alléén. Het Westen heeft de andere Duitsers uit zijn kritiek geschrapt. Zij zijn op hun manier weliswaar ook angstaanjagend, maar meer als kommunisten dan als Duitsers. Daar zij armer zijn, kunnen zij op meer consideratie rekenen dan de in een zekere weelde levende Westduitsers. Menige westerse politicus heeft ook al te verstaan gegeven, dat de gekontroleerde en onderdrukte Duitsers aan de overkant van de Elbe voor het buitenland beslist minder moeite opleveren dan de vrije burgers van de Bondsrepubliek met hun pretentieuze eisen en hun intensieve deelname aan de ekonomische concurrentiestrijd.”

Wat nu uiteraard niet meer kan gezegd worden, maar wat wél bevestigt wat Eich even verder schrijft: “De verhouding tussen de volken is onafhankelijk van de mate waarin men elkaar kent; zij wordt veeleer bepaald door de politiek en het wereldgebeuren. Vandaag is zij nog broederlijk en morgen al vijandig. De wisseling van oorlogs- en vredestoestand tussen buurstaten is een treurig bewijs, hoe gemakkelijk de menselijke gevoelens kunnen worden beïnvloed; het staatsbelang heeft nog altijd de doorslag gegeven als de burger moest beslissen tussen zijn nationaal bewustzijn en zijn gevoelens van vriendschap voor een ander volk. De machthebbers zelf hebben nooit geaarzeld hun oordeel te herzien, zodra de politieke situatie het nodig maakte, van haat op verbroedering over te schakelen of de tegenovergestelde richting in te slaan. Daartoe is evenwel nodig, dat men kan vergeten of in elk geval doen alsof… De staatslieden uit onze tijd behoren in dit opzicht tot de grootste meesters in de kunst der vrijwillige bewustzijnssplitsing.”

“Staatslieden” en, bijvoorbeeld, schrijvers. “In elk land stonden de literaten op commando paraat, ook de besten onder hen [zie ter zake trouwens mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Dat een schrijver er toe besluit, zich ter beschikking te stellen van de staat en de eisen van de aktuele politiek, daarin ligt niets verwerpelijks. Het wordt pas pijnlijk, nadat het politieke lied zijn doel bereikt heeft. De oorlogsfurie heeft het niet weggevaagd, zoals een anoniem vlugschrift of een radiocommentaar. Het staat in de werken van een bepaalde dichter, ontsiert de zogenaamde schone literatuur er omheen en al heeft men het ook uit zijn oeuvre kunnen verwijderen, een snuffelaar zal het altijd weer te voorschijn halen. Het grootste aandeel van dergelijke stemmen in dit boek is niet zo zeer bedoeld om de auteurs te discrimineren als wel om te waarschuwen tegen de macht van het woord, dat hun in een – naar zij toch moesten aannemen – ‘ernstig’ ogenblik is ontvallen en waarvan zij later wensen, dat zij het toch maar nooit gesproken hadden. Thomas Mann, Ilja Ehrenburg en vele andere contemporaine representanten der wereldliteratuur zagen en zien zich gedwongen zich te verdedigen tegen het verwijt, hun volk te hebben opgehitst. De noodzakelijkheid, de beschrijving van het vreemde volk tendentieus te kleuren kan weliswaar worden aangetoond, maar de tendensleugen kan niet meer tot waarheid worden omgebogen.”

Wie daarvan, zowel wat die ‘schrijvers’ als die ‘staatslieden’ betreft, dezer dagen bewijzen wil verzamelen, heeft kans genoeg als hij de kranten even napluist op steekwoorden als ‘Oekraïne’, ‘Israël’, ‘Rusland’ of ‘Iran’. Een mens durft hopen dat ze vroeg of laat met hun dwaze woorden zullen geconfronteerd worden, maar slangenmensen als ze vaak zijn, ontsnappen zelfs als ze daarmee in een hoek gedwongen worden. Zoals die slangenmensen ook zullen weten te ontsnappen als je ze confronteert met “de naar links gerichte wereldsympathieën (…) [die] zo sterk [zijn], dat zich een eigenaardige theorie van rechtvaardige en ongerechtvaardigde oorlogen is gaan vormen. Volgens deze is de overval van Stalin op het zwakke Finland als een te verontschuldigen beschermingsmaatregel tegen de aanvalsplannen van Hitler te beschouwen, terwijl elke oorlog waaraan het ‘rechts’ geregeerde Duitsland deelnam als zuivere aanvalsoorlog wordt bestempeld.” Een theorietje waarvan tegenwoordig varianten te vinden zijn in het goedpraten van de aanvalsoorlog van Israël tegen zo goed als al zijn buurlanden en de Verenigde Staten tegen Iran met de naderhand ‘ontdekte’ mogelijkheid dat Iran, als vergeldingsmaatregel, doelwitten op een paar duizend kilometer afstand zóu kunnen raken.

Waarmee ik – zo ben ik nu eenmaal – alvast een aantal verbanden gelegd heb tussen wat in een boek uit 1963 over de Duitsers is geschreven en feiten die zich dezer weken, zonder enige betrokkenheid van Duitsers, afspelen in het Midden-Oosten. Op zich al reden genoeg om dat boek eens te gaan lezen (de gebruikte citaten komen allemaal uit de eerste dertig bladzijden, er schieten dus nog driehonderdtwintig bladzijden over waarvan u hier niks heeft gelezen) en het bewijs dat – althans voor wie dat zien wil – alles met alles samenhangt. Wat ook zo’n beetje de centrale stelling is van dit boek.

Björn Roose