Hermann Eich, auteur van voorliggend Duitsers ongewenst
(oorspronkelijke titel: Die unheimlichen Deutschen), schreef
behalve dit origineel in 1963 verschenen boek ook nog Die
misshandelte Geschichte – Historische Schuld- und Freisprüche.
Daarmee heb ik u echter zo ongeveer alles meegegeven wat zelfs het
internet me pas na enig aandringen wist te melden over de man.
Ja, ik vind op Wikipedia een Hermann Eich, maar los van het
feit dat die in 1963 al vierentachtig jaar oud was en begin februari
van datzelfde jaar overleed, staat er in het betreffende lemma niks
over enige publicatie. En ja, een aantal mensen hebben in 1963 of
later, bij het verschijnen van de vertalingen, gereageerd op het
werk, maar ook zij wisten kennelijk niet wie Hermann Eich was. De
destijds in Nederland wonende, in Duitsland geboren jood Maurice
Frankenhuis nam aan dat Eich behalve “a thinking man” ook
“not a very young German”
was, maar vond dat wellicht ook niet echt belangrijk. Hij wou
voornamelijk duidelijk maken dat Eich beter gezwegen had, dat de
Duitsers in plaats van “unloved” simpelweg “unlovable”
waren, en massaal ‘heropgevoed’ moesten worden: “(…) if it
is not already too late, might I suggest that the only thing left for
Germans of good will is to undertake a program of re-education
beginning with the youth before it becomes contaminated by the
ideology of its fathers. Perhaps then the German people would have a
chance to redeem themselves. Their history can claim no
justification.”
Niet iedere criticus was zo gebeten op Eich, zijn boek, of – zoals
in het geval van Frankenhuis – de Duitsers in het algemeen, maar
Frankenhuis toonde wel meteen voor de helft aan wat Eich al in zijn
Woord vooraf schrijft, terwijl Frankenhuis’ kennis van het
boek duidelijk gebaseerd was op niet meer dan één stelling die
“many intelligent people” naar zijn zeggen ‘verrassend’
vonden, zijnde dat de Duitsers de misdaden van Hitler wel degelijk
erkenden, maar dat velen van hen niks wisten van de uitroeiing van de
joden, iets wat zo’n vier bladzijden lang tegengesproken wordt door
Frankenhuis. “De auteur is zich ervan bewust”, schreef Eich, “dat
hij tegen twee muren stormloopt: het nationalisme en de angst voor
het nationalisme. Daarom zullen de vertegenwoordigers van twee
karakteristieke denkrichtingen in dit boek niet aan hun trekken
komen: [1)] Allen die Duitsland en het Duitse volk voor het
hoogtepunt van de schepping houden (…) [en 2)] Allen die Duitsland
als de hel op aarde en het Duitse volk als een satansgebroed
beschouwen.” Eich verwachtte dus niet met dit boek medelijden op te
wekken of een veralgemeend begrip voor ‘de’ Duitsers, “Dit boek
kan weinig verontschuldigen, maar wellicht veel verklaren”, zo
stelde hij. “Het dingt niet naar de gunst van het buitenland, noch
wil het de ‘ongewenste Duitsers’ provoceren waar de auteur zelf
toe behoort, hetgeen hij zonder trots, maar ook zonder schaamte
bekent. Het is veeleer zaak tussen loftuiting en berisping,
vooroordeel en berusting een middenweg te vinden, en de wezenstrekken
te ontdekken van een volkskarakter dat zich laat onderkennen bij en
gedragen wordt door zoveel mogelijk van onze landgenoten. Als daaraan
een wens – of, zoals Hofmannsthal het zegt ‘een laatste geloof’
– kan worden verbonden, dan is het, dat het Duitse volk, hoe
onwaarschijnlijk het op dit ogenblik ook klinken mag, eens tot die
gematigde vorm van nationaal bewustzijn komt, waarmee andere, meer
gelukkige volken, sinds eeuwen rustig hun weg gaan door de geschiedenis.”
Mij lijkt dat behalve een correcte inschatting van twee
‘nationalistische’ kampen – kampen die ik overigens niet als
dusdanig zou betitelen -, kampen die óf zichzelf beschouwen als de
meesters der schepping óf de ander als het ongedierte van diezelfde
schepping en dus in essentie onderling inwisselbaar zijn, ook een
captatio benevolentiae die niet al te ingewikkeld in mekaar is
gestoken en volkomen duidelijk zou moeten maken waar Eich heen wil.
Hij is geen “apologist”, zoals Frankenhuis hem verkiest te
noemen, geen apologeet, niet “iemand die zijn geloof verdedigt dooriets anders tegen te spreken”,
tenzij dan een volkomen gerechtvaardigd ‘geloof’ in het feit dat
geen enkel volk – laat ons het dan maar zo noemen – minderwaardig
is (en dus ook niet meerderwaardig), iets wat hij voor ‘de’
Duitsers niet aantoont door alleen ‘hun’ goede kanten te
belichten, maar ook door ‘hun’ slechte kanten niet te miskennen
en door die goede én slechte kanten te vergelijken met die van
andere volkeren. In onze politiek correcte tijden zou de oefening op
zich al, een oefening ten voordele van de objectieve behandeling van
éénder welk Europees volk, op tegenkanting van een horde zogenaamde
‘antiracisten’ botsen, maar noch ‘racist’ noch ‘antiracist’
zijnde moet ik zeggen dat Eich die oefening met goed gevolg volbracht
heeft. Ik had vóór ik dit boek las al geen hekel aan Duitsers, noch
lag ik in aanbidding voor elk of een van hen, maar Duitsers
ongewenst is zo’n – tsja, ik vind dat een mooi woord –
Fundgrube aan historische feiten en feitjes over Duitsers en
andere volkeren dat ik alleen maar kan besluiten dat élk volk zo’n
objectieve verdediger verdient. Én dat een boek als dit eigenlijk
heruitgegeven zou moeten worden. De kans dat lezers immers deze
inmiddels meer dan zestig jaar geleden bij Nederlands Boekhuis
in Tilburg verschenen vertaling van de hand van Jos. H. Schmitz
ergens op de kop kunnen tikken is wel bijzonder klein, terwijl het
aantal mensen dat, ondanks het feit dat ze net zo min als ik ooit een
oorlog met Duitsland hebben meegemaakt en zelfs geen subjectieve
basis hebben om tegen ‘de’ Duitsers te zijn, dezer dagen nog doet
alsof elke Duitser Adolf Hitler in persoon is, belachelijk groot
blijft (zij het niet zo groot als het aantal mensen dat denkt dat
alles wat de zetelende Israëlische regering onderneemt
gerechtvaardigd is omdat de leden ervan joods zijn).
Ik probeer – al is het maar omdat ik de jongste tijd al een paar ál
te uitgebreide boekbesprekingen heb geschreven – van deze
bespreking geen ellenlang epistel te maken (het zou eens wat anders
zijn, nietwaar?), maar zeg me vooral waar Eich de Duitsers vereert
als hij van een man als Friedrich Nietzsche, door velen toch
beschouwd als zéér Duits en een zogenaamde inspiratiebron van de
nationaal-socialisten, weet te melden dat die “al in 1885 in
Jenseits von Gut und Böse de spot gedreven [had] met
pogingen, door meting van hoofd en lichaam het ideale Duitse
mensentype te willen vaststellen. Voor hem waren de Duitsers ‘een
volk, waarin op de meest monsterachtige wijze allerlei rassen waren
vermengd en door elkaar geroerd.’”, een mening die hij een paar
jaar later in Ecce Homo bevestigde door te stellen dat
Duitsers “helemaal geen voeten [hebben] – alleen benen (…) Naar
zijn mening overtrof de armste gondelier van Venetië een Berlijnse
Geheimrat in elegance van beweging – een uitspraak, die toendertijd
waarschijnlijk zelfs bij Berlijners geen tegenspraak wekte, want de
combinatie van elegance en beschaving was ook in de tweede helft van
de vorige eeuw al een gelukkig toeval.”
Maar Eich laat die stelling al zeer snel volgen door een andere: “Er
schijnt dus toch een algemeen geldend herkenningsteken voor de
Duitsers te bestaan. Het bewijs wordt dagelijks geleverd door de
souvenirverkopers in de zuidelijke vakantielanden. Zij spreken de
Duitse toeristen met grote zekerheid in de juiste taal aan. Overigens
zouden zij ook Skandinaviërs en Nederlanders in het Duits aanspreken
en zij zouden waarschijnlijk geen ander onderscheid tussen de
verschillende volken kunnen noemen dan dat de Duitsers nu eenmaal
overal in de meerderheid zijn, waarmee eens te meer de merkwaardige
logica bij de beoordeling van buitenlanders is aangetoond.” Zelf al
in diverse landen als Frankrijk, Italië en Tsjechië aanzien geweest
zijnde voor een Duitser – ik die zó elegant ben! – kan ik dat
van die “merkwaardige logica” in ieder geval bevestigen. Maar dat
is misschien een gevolg van “de vermenging (ambivalentie) van aan
elkaar tegengestelde, elkaar eigenlijk uitsluitende gevoelens en
eigenschappen” die, aldus Eich, de toegang tot het wezen van ‘de’
Duitser ontsluiten: “‘Een Duitser, dat is moord en muziek
tegelijk,’ zo heette het in een Franse film der ‘nouvelle vague’,
die zich schijnt te hebben gespecialiseerd in het ontmaskeren van de
Duitsers. Deze definitie mag dan door een onoverwinnelijke afkeer
zijn ingegeven, dit neemt niet weg, dat zij toch een kern van
waarheid bevat, zij probeert namelijk de Duitser als een samenstel
van kontrasten voor te stellen, als iemand die onzinnig handelt en
zich ‘onmogelijk’ gedraagt.” Wat dan weer een teken kan zijn
van zich aanpassen aan de eisen van de niet-Duitsers: “Buitenlandse
bezoekers verbaasden zich tussen 1950 en 1960, hoe goed gehumeurd de
gezichten van de Duitsers er al weer uitzagen, ondanks de splitsing
van hun land en de nood der verdrevenen. Menigeen voelde de Duitse
opgewektheid in die jaren als iets ongepasts. Na 1960 werd er in de
reisverslagen steeds meer gewezen op de diepe ernst, die nu op het
gezicht van de gemiddelde Duitser lag. De opgejaagde, droevige en
onrustige Duitser temidden van zijn welvaart werd een geliefd
fotomotief. In de onderschriften bij de foto’s verklaarde men zijn
gelaatsuitdrukking uit een nooit bevredigde gewinzucht of een
diepgewortelde levensangst. ‘Duitsland, het land waar het minste
gelachen wordt’ – zo luidde de slotsom na uitgebreide reizen door
Duitsland zelfs nog vóór de oprichting van de Berlijnse muur.”
Dat waarnemers elkaar beïnvloeden én hun kijk op het waargenomene
blijkt ook met betrekking tot ‘de’ Duitsers dus, euh, waar. Een
fenomeen dat ook nu nog steeds zijn nadelen heeft: “Kernachtige
Beierse uitdrukkingen inclusief leren broeken en hertshoornen knopen
versterken in combinatie met de gutturale spreekwijze wel eens de
indruk van plompe grofheid van de Duitsers. De achter het animale
liggende kunstzin van de Beieren blijft voor de oppervlakkige
beschouwer verborgen. Een luidruchtige minderheid bepaalt het totale
oordeel, dat eenzijdig moet uitvallen alleen al omdat de
buitenlanders hun ervaringen bijna uitsluitend in het Opperbeierse
toeristencentrum opdoen.” Een “toeristencentrum” dat, van 1945
tot 1990, dan weer nergens te pas kwam als het om Oost-Duitsland
ging: “Volgens de grondwet was aan de Duitsers van de Oostzone de
mogelijkheid onthouden, mee te werken bij de opbouw van een vrij
Duitsland. De Bondsrepubliek handelde in hun naam. Zij
vertegenwoordigt heel Duitsland ook bij de herstelbetalingen aan
Israël en bij de betaling van de schulden van het voormalige Duitse
Rijk. Nagenoeg alle verwijten die zich tegen Duitsers richten
incasseert de Bondsrepubliek, als vertegenwoordiger van alle
Duitsers, alléén. Het Westen heeft de andere Duitsers uit zijn
kritiek geschrapt. Zij zijn op hun manier weliswaar ook
angstaanjagend, maar meer als kommunisten dan als Duitsers. Daar zij
armer zijn, kunnen zij op meer consideratie rekenen dan de in een
zekere weelde levende Westduitsers. Menige westerse politicus heeft
ook al te verstaan gegeven, dat de gekontroleerde en onderdrukte
Duitsers aan de overkant van de Elbe voor het buitenland beslist
minder moeite opleveren dan de vrije burgers van de Bondsrepubliek
met hun pretentieuze eisen en hun intensieve deelname aan de
ekonomische concurrentiestrijd.”
Wat nu uiteraard niet meer kan gezegd worden, maar wat wél bevestigt
wat Eich even verder schrijft: “De verhouding tussen de volken is
onafhankelijk van de mate waarin men elkaar kent; zij wordt veeleer
bepaald door de politiek en het wereldgebeuren. Vandaag is zij nog
broederlijk en morgen al vijandig. De wisseling van oorlogs- en
vredestoestand tussen buurstaten is een treurig bewijs, hoe
gemakkelijk de menselijke gevoelens kunnen worden beïnvloed; het
staatsbelang heeft nog altijd de doorslag gegeven als de burger moest
beslissen tussen zijn nationaal bewustzijn en zijn gevoelens van
vriendschap voor een ander volk. De machthebbers zelf hebben nooit
geaarzeld hun oordeel te herzien, zodra de politieke situatie het
nodig maakte, van haat op verbroedering over te schakelen of de
tegenovergestelde richting in te slaan. Daartoe is evenwel nodig, dat
men kan vergeten of in elk geval doen alsof… De staatslieden uit
onze tijd behoren in dit opzicht tot de grootste meesters in de kunst
der vrijwillige bewustzijnssplitsing.”
“Staatslieden” en, bijvoorbeeld, schrijvers. “In elk land
stonden de literaten op commando paraat, ook de besten onder hen [zie
ter zake trouwens mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel
van Frank Westerman, noot van mij]. Dat een schrijver er toe besluit,
zich ter beschikking te stellen van de staat en de eisen van de
aktuele politiek, daarin ligt niets verwerpelijks. Het wordt pas
pijnlijk, nadat het politieke lied zijn doel bereikt heeft. De
oorlogsfurie heeft het niet weggevaagd, zoals een anoniem vlugschrift
of een radiocommentaar. Het staat in de werken van een bepaalde
dichter, ontsiert de zogenaamde schone literatuur er omheen en al
heeft men het ook uit zijn oeuvre kunnen verwijderen, een snuffelaar
zal het altijd weer te voorschijn halen. Het grootste aandeel van
dergelijke stemmen in dit boek is niet zo zeer bedoeld om de auteurs
te discrimineren als wel om te waarschuwen tegen de macht van het
woord, dat hun in een – naar zij toch moesten aannemen –
‘ernstig’ ogenblik is ontvallen en waarvan zij later wensen, dat
zij het toch maar nooit gesproken hadden. Thomas Mann, Ilja Ehrenburg
en vele andere contemporaine representanten der wereldliteratuur
zagen en zien zich gedwongen zich te verdedigen tegen het verwijt,
hun volk te hebben opgehitst. De noodzakelijkheid, de beschrijving
van het vreemde volk tendentieus te kleuren kan weliswaar worden
aangetoond, maar de tendensleugen kan niet meer tot waarheid worden omgebogen.”
Wie daarvan, zowel wat die ‘schrijvers’ als die ‘staatslieden’
betreft, dezer dagen bewijzen wil verzamelen, heeft kans genoeg als
hij de kranten even napluist op steekwoorden als ‘Oekraïne’,
‘Israël’, ‘Rusland’ of ‘Iran’. Een mens durft hopen dat
ze vroeg of laat met hun dwaze woorden zullen geconfronteerd worden,
maar slangenmensen als ze vaak zijn, ontsnappen zelfs als ze daarmee
in een hoek gedwongen worden. Zoals die slangenmensen ook zullen
weten te ontsnappen als je ze confronteert met “de naar links
gerichte wereldsympathieën (…) [die] zo sterk [zijn], dat zich een
eigenaardige theorie van rechtvaardige en ongerechtvaardigde oorlogen
is gaan vormen. Volgens deze is de overval van Stalin op het zwakke
Finland als een te verontschuldigen beschermingsmaatregel tegen de
aanvalsplannen van Hitler te beschouwen, terwijl elke oorlog waaraan
het ‘rechts’ geregeerde Duitsland deelnam als zuivere
aanvalsoorlog wordt bestempeld.” Een theorietje waarvan
tegenwoordig varianten te vinden zijn in het goedpraten van de
aanvalsoorlog van Israël tegen zo goed als al zijn buurlanden en de
Verenigde Staten tegen Iran met de naderhand ‘ontdekte’
mogelijkheid dat Iran, als vergeldingsmaatregel, doelwitten op een
paar duizend kilometer afstand zóu kunnen raken.
Waarmee ik – zo ben ik nu eenmaal – alvast een aantal verbanden
gelegd heb tussen wat in een boek uit 1963 over de Duitsers is
geschreven en feiten die zich dezer weken, zonder enige betrokkenheid
van Duitsers, afspelen in het Midden-Oosten. Op zich al reden genoeg
om dat boek eens te gaan lezen (de gebruikte citaten komen allemaal
uit de eerste dertig bladzijden, er schieten dus nog
driehonderdtwintig bladzijden over waarvan u hier niks heeft gelezen)
en het bewijs dat – althans voor wie dat zien wil – alles met
alles samenhangt. Wat ook zo’n beetje de centrale stelling is van
dit boek.
Björn Roose
