woensdag 23 augustus 2017

Gloed (Sándor Márai)


Sándor Márai ... ik durf aannemen dat de naam bij weinig Nederlandstaligen een belletje zal doen rinkelen. En toch is het een van de weinige fictieschrijvers van wie de boeken mij de laatste jaren echt bevallen zijn. Een dode schrijver helaas, van wie niet zo heel veel in het Nederlands verschenen is.

Even voorstellen dus: Sándor Márai, ofte Sándor van Mára (het lesje Hongaars krijgt u er gratis bij), of Sándor Károly Henrik Grosschmied de Mára, zoals hij oorspronkelijk heette, werd geboren in 1900 in Kassa (tegenwoordig Košice) in het toen nog niet door de Trianon-grootmachten verscheurde Hongarije. Via zijn vader is hij verwant met de Országh-familie (“ország” betekent overigens “land” in het Hongaars, zoals in “Magyarország”). Hij studeert, van Saksische afkomst zijnde, in Leipzig, Frankfurt en Berlijn en is van 1923 tot 1929 gestationeerd in Parijs, waar hij correspondent is voor de Frankfurter Zeitung. Hij overweegt kort ook zijn fictiewerk in het Duits te schrijven, maar besluit uiteindelijk te kiezen voor zijn moedertaal, Hongaars. In Egy polgár vallomásai (1934), in 2007 in het Nederlands uitgegeven onder de titel Bekentenissen van een burger, identificeert hij de moedertaal ook met het concept volk (zoals Dendermondenaar Prudens van Duyse dat deed met zijn “De tael is gansch het Volk”).

In 1928 vestigt hij zich in Krisztinaváros, de wijk van Buda (het deel van Budapest westelijk van de Donau) net ten westen van het paleis (Budavári palota). Hij wint aan bekendheid met zijn vertalingen naar het Hongaars van werken van Franz Kafka en de Oostenrijkse expressionistische dichter Georg Trakl, al dateert zijn eerste publicatie al van 1918: Emlékkönyv (dus niet zoals op de Nederlandstalige Wikipedia vermeld staat: vanaf 1929). Na die gedichtenbundel zouden nog talloze boeken in verschillende genres volgen. De Engelstalige Wikipedia houdt het op 46 boeken, de Hongaarse Wikipedia vernoemt 92 publicaties (in binnenland, in emigratie, en postuum) met naam. Iets zegt me dat de Hongaarse bijdrage accurater is, maar een gigantische productie is het in ieder geval.

Behalve een veelschrijver was Márai ook nationalist, zij het eerder in de traditie van de (Oostenrijks-Hongaarse) rijksgedachte. Hij toonde zich bijgevolg zeer tevreden toen nazi-Duitsland Tsjechoslowakije en Roemenië dwong de bij het Verdrag van Trianon aan Hongarije ontstolen gebieden terug te geven, maar had voor het overige minstens zoveel problemen met het nationaal-socialisme als met het communisme. In 1948 vertrok hij, al dan niet onder dwang ván die communisten, voorgoed uit Hongarije (hij maakte niet meer mee hoe op 23 augustus 1989 het IJzeren Gordijn, tweeënhalve maand voor de Muur in Berlijn viel, tussen Hongarije en Oostenrijk sneuvelde) en van 1951 tot 1968 was hij vanuit het Amerikaanse San Diego actief bij Radio Free Europe. Hij toonde zich, terecht, zeer teleurgesteld toen de Westerse machten nalieten de Hongaren te steunen bij hun Revolutie van 1956.

Ondanks het feit dat hij bijna zijn halve leven in ballingschap doorbracht, bleef hij schrijven in zijn moedertaal. Door het feit dat zijn werken door de communistische dictatuur in Hongarije geweerd werden bereikte hij zo slechts een klein publiek (op de Hongaren in Westerse ballingschap en die in Oostenrijk na, kon hij ook de andere Hongaren in het buitenland – sinds het Verdrag van Trianon zijn hele gebieden in Roemenië, Slovakije, en de delen van ex-Joegoslavië Hongaarstalig – niet bereiken wegens het aldaar eveneens gevestigd zijn van de communistische dictatuur). Na de dood van zijn echtgenote in 1986 trok hij zich meer en meer terug. Het jaar daarop kreeg hij af te rekenen met een vergevorderde kanker en verloor hij zijn geadopteerde zoon John. Op 21 februari 1989 maakte hij met een kogel door zijn hoofd een einde aan zijn leven. Pas nádien werd zijn werk zowel binnen het opnieuw vrije Hongarije als daarbuiten (her)ontdekt.

Zo verscheen pas 66 jaar na een eerste vertaling (Idegen emberek, in 1934 door de Nederlandse Keurboekerij Amsterdam uitgegeven als Vreemdelingen) de volgende Nederlandse versie van een van Márai’s werken. Sinds 2000 zijn er zo, als ik Wikipedia mag geloven, bij Wereldbibliotheek tien boeken van hem verschenen. Vorig jaar las ik tijdens mijn verlof in Hongarije Kentering van een huwelijk (Az igazi/Judit, 1940), dit jaar was dat Gloed (A gyertyák csonkig égnek, 1942), de eerste vertaling die bij Wereldbibliotheek verscheen en aanleiding tot deze bespreking.

Een bewerking van Gloed voor theater van Ursul de Geer won in 2003 de Toneel Publieksprijs (dezelfde de Geer bewerkte in 2007 Kentering van een Huwelijk en in 2008 De gravin van Parma, de vertaling van Vendégjáték Bolzanóban). De kameropera WAAARDE van Egon Kracht, in première gegaan in 2011, is eveneens een bewerking van Gloed. En eerlijk gezegd: ik kan me bij geen van beide, opera of toneelstuk, een voorstelling maken van hoe dat er zou uitzien. Een deel van het boek, zo’n twee derde, is dan wel geschreven in dialoogvorm (quasi monoloog zelfs), maar de hele inleiding tot die twee derde is zo goed als verstoken van enige dialoog. “Één avond, één nacht duurt de ontmoeting van de twee oude mannen. Hun laatste gesprek is een duel zonder wapens, en veel wreder. Met meedogenloze openhartigheid praten zij over passie en vriendschap, over waarheid en leugen. Wat is er 41 jaar geleden gebeurd? En was het verraad van Konrád onvermijdelijk?” vraagt de auteur van de flaptekst zich af, daarmee verwijzend naar het stuk in dialoogvorm, maar de jaren vóór die 41 jaar geleden, de jaren die de kern vormen waarover de laatste 100 bladzijden van het boek handelen, de “vriendschap” die Konrád en Henrik na 41 jaar weer samenbrengt, worden beschreven in de eerste vijftig bladzijden.

Soit, ik heb noch de opera noch het toneelstuk gezien, en kan dus niet weten op welke manier met het boek is omgegaan. Wat ik wél weet, is dat Márai er in Gloed, net zoals in Kentering van een huwelijk, in slaagt je helemaal mee te slepen in een sfeer die je helemaal niet kent. Een sfeer die niet alleen bestaat in de verhouding tussen en de handelingen van de personages, maar ook uit hun context. En dat laatste is sterk, want die context is in het geval van Gloed die van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en die van de aard van de volkeren daarin, in het bijzonder het Hongaarse. Dat laatste is, neem ik aan, een beetje moeilijk te vatten voor wie dat volk/die volkeren niet kent of niet aanvoelt, maar het is wél de reden waarom ik Sándor Márai graag lees: zijn vermogen om zonder veel woorden Hongarije op te roepen zoals ik dat aanvoel. Een vermogen dat hij volgens mij bezat omdat hij dat Hongarije wás. Iets waar ik pas achterkwam toen ik in het kader van deze bespreking op zoek ging naar de achtergrond van de auteur.

Ik heb mezelf in ieder geval voorgenomen om als de gelegenheid zich voordoet ook andere in Nederlandse vertaling verschenen boeken van Sándor Márai aan te schaffen (het laatste dateert kennelijk alweer van 2011), want ondanks twee jaar avondlessen Hongaars staat mijn kennis van die taal nog steeds in haar kinderschoenen (en dat zal eind juni 2018 – na drie jaar avondlessen, het maximum dat de Vlaamse regelgeving voorlopig toelaat voor Hongaars – allicht niet anders zijn). En ik kan hetzelfde aanraden aan eenieder die voeling heeft met de Hongaren of over “antennes” genoeg beschikt om die via literatuur te krijgen. Of - want de werken van Márai worden tegenwoordig (beter laat dan nooit) niet zomaar beschouwd als onderdeel van de Europese literaire canon van de twintigste eeuw - ook gewoon aan mensen die enige interesse hebben voor de psychologie achter menselijke relaties, knap geschreven dialogen/monologen en/of novelles. Een aanrader dus, Gloed, en de werken van Sándor Márai in het algemeen.

Was getekend,

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !